Let op: opent in een nieuw venster AfdrukkenE-mail

De restauratie van 1880

sloop-kerk-in-1932
sloop in 1932 geeft een beeld van de kerk

In de loop van de eeuwen hebben kerk en toren veel onderhoud gevergd. Dit werd betaald uit de geestelijke tienden die aan de abdij van Tongerlo betaald werden. Na 1795 als de geestelijke tienden onder staatsbeheer worden gebracht, drogen deze bronnen op en wordt de gemeente verantwoordelijk voor het onderhoud van de toren. Ondanks de vele onderhoudsbeurten verviel de kerk steeds meer, zodat in 1880 een algehele restauratie nodig was.

Pastoor de Louw vermeldt, dat de bisschop hem bij zijn benoeming in 1878 op de hoogte gebracht had van een noodzakelijke grote onderhoudsbeurt. Onder meer lekte het dak als een zeef, omdat de spijkers die de leien vast moest houden weggeroest waren. Architect Carl Weber maakte het bestek met een eindbedrag van f. 13.500. Het gebouwtje dat tegen de Z.W. zijde van de toren stond en als doopkapel diende werd geheel gesloopt; er werd een nieuw gezet. De sacristie die tegen de Z.O zijde stond was eveneens zeer slecht.
Met toestemming van de burgemeester (omdat er lijken opgegraven moesten worden) werd er een nieuwe eens zo grote sacristie tegen de kerk aan gebouwd. Ook werd er, zonder goedkeuring van de bisschop, een geheel nieuw presbyterium gebouwd, ten koste van een stukje kerkhof. De geplande kosten werden door het een en ander wel met f. 10.000 overschreden.
Het dak werd geheel gesloopt en toen men het plafond verwijderde bleken daar mooi besneden eiken balken onder te zitten, die vroeger kennelijk zichtbaar waren. Door de muren op de bogen van de pilaren op te trekken ontstonden er aan weerzijde prachtige montants. Hoewel de nok niet hoger was komen te liggen leek de kerk wel een derde hoger te zijn geworden.
Het kruis van de kerk was onregelmatig gevormd. Om dat gelijkvormig te maken moest er weer een stukje van het kerkhof afgenomen worden. Maar juist aan die zijde van het kruis, de noordzijde, lag het protestantse kerkhofje. De pastoor durfde het niet aan, bang voor oppositie, om hieraan te tornen.
Eerder al was een ingang onder de toren door gemaakt, maar dat was slechts een smalle pijp, omdat twee muurtjes de afscheiding vormden van aan de ene zijne de trap naar het koor en aan de andere zijde de trap naar de toren en de luiplaats. Het koor zat geheel aan de buitenzijde van de toren. Onder meer werd het koor geheel binnen de toren geplaatst, de muurtjes werden afgebroken en het raam in de toren, dat was dichtgemetseld, werd weer in ere hersteld, waardoor er licht viel in kerk en koor. De grote marmeren communiebank werd in twee stukken gezaagd, waardoor er in het midden een doorgang ontstond. Het was ook praktisch, zo stelde de pastoor, want daardoor konden de mensen niet meer zo dringen. Deze communiebanken werden in 1848 geschonken door Dirk van Dooren.

In het presbyterium werd een erg dure vloer gelegd. De pastoor gokte erop dat dat een gift zou worden van de nieuwe burgemeester Willem van Heeswijk. Hij misrekende zich echter; de kerk draaide er voor op.
De pastoor was met het geheel echter erg tevreden.
Het orgel, dat uit 1849 dateert, was eveneens aan revisie toe. In dat jaar besloot pastoor van Dooren dat er een nieuw moest komen. "Het koor is zodanig verslapt, dat de muziek eerder dient ter verstrooiing dan om op te wekken. Dit is te wijten aan het beperkt aantal koorzangers, dat slechts de beschikking had over een klarinet en drie violen die ook nog slecht stemmen". Het honorarium van de organist werd betaald uit een lagere vergoeding voor de koorzangers en uit verhoging van de vergoeding voor de begrafenismissen.


Terug