Publicaties 75 Jaar Kerkgebouw
Afsluiting herdenking 75-jarig bestaan parochiekerk
Bundeling van publicatiereeks
Het gehele jaar 2007 stond in het teken van de feestelijke herdenking van het 75-jarig bestaan van onze parochiekerk. Er waren talloze evenementen: thema-avonden over de zeven Werken van Barmhartigheid, de eucharistieviering met daarna een processie door het dorp, een expositie, het kerstconcert …..
Door de werkgroep Publiciteit van de parochie werden deze activiteiten ondersteund door verslagen en door enkele reeksen van artikelen. Zo waren er de artikelen m.b.t. het thema, Werken van Barmhartigheid. Daarnaast en nog uitgebreider was er de artikelenreeks m.b.t. de historie van het nieuwe kerkgebouw. In deze historische reeks werden in een twaalftal publicaties veel facetten belicht, zoals de voorbereiding op de bouw, financiële, technische en organisatorische aspecten en de veranderingen in de tijd, zowel in de kerk en het interieur als in de geloofsbelevenis.
Om deze publicatiereeks voor het nageslacht te bewaren zijn de twaalf artikelen nu gebundeld in een fraai boekwerkje.
Het is niet officieel uitgegeven, maar kan door inzenden van de onderstaande bon wel besteld worden à raison van 10 euro per stuk. Op de tafels achter in de kerk zullen enige tijd twee exemplaren van dit boekwerk ter inzage liggen, samen met een aantal bonnen waarmee het boekje kan worden besteld. Lever de bon in op het Parochiecentrum, samen met een biljet van 10 euro. Het boekje zal worden thuisbezorgd.
Aan de Werkgroep Publiciteit:
Ondergetekende …………………………………….(naam)
………………………………………………………(adres)
…………………………………………..(telefoonnummer)
bestelt ….. exemplaren van de bundel “75 jaar kerkgebouw”
Deze bon, samen met 10 euro (per boekje) in een enveloppe bezorgen bij het parochiecentrum.
Na druk zal de bundel thuis worden bezorgd.
Publicaties 75 jaar kerkgebouw
In onderstaande publicatiereeks wordt onderscheid gemaakt tussen
A. Publicaties over de historische aspecten van 75 jaar kerkgebouw
en
B. Publicaties betreffende het thema 'De zeven werken van Barmhartigheid'
A. Publicaties historische aspecten
75 Jaar katholiek leven in Moergestel (2)
Broederschappen, godsdienstige verenigingen, en genootschappen
In de 75 jaar sinds de bouw van onze kerk, maar ook daarvoor, waren de parochianen vergroeid met de begrippen broederschappen en genootschappen (al dan niet pauselijke). Velen waren lid en bezochten de diensten of vergaderingen ervan. Allen hoorden er via de preekstoel bijna wekelijks over wanneer er aankondigingen waren van bijvoorbeeld de H. Familie, de Congregatie en de bijeenkomsten van de verschillende zelatricen , t.w. van Voortplanting des Geloofs, Kindsheid, Retraitepenning, St. Pieterspenning, O.L.V. van Altijddurende Bijstand, St. Ermelindis en Apostolaat des gebeds die in de missen afgekondigd werden.
Waarschijnlijk zullen niet veel parochianen zich het hoofd gebroken hebben over de betekenis en achtergrond van deze teksten.
Waarom ook? Veel van de liturgie en de activiteiten van toen omhulden ons als een warme deken. Zij hoorden bij het geheel van de uiterlijke godsdienstbeleving, waren geworteld, door onze voorouders aangenomen – onderdeel van kerk zijn. Als we ons er toe geroepen voelden, maar vaker omdat dat zo hoorde, gingen we erheen. We waren kennelijk lid, maar we wisten niet dat de inschrijving vaak een automatisme was, wat samenhing met het doen van de Plechtige Heilige Communie, of zelfs met het gegeven dat we geboren waren.
In de zakjes, die opgehaald werden, stopten we ‘wat er toe stond’ of betaalden aan de zelatricen, die de wijk afliepen, onze contributie.
Het hoorde erbij, net als het missiebusje op de toonbank van de kruidenier of zelfs op de groentekar en op de tap in het café. We gaven aan de missie, de blinden, de doofstommen, de priesterstudenten, het orgelfonds en we kochten de missiekalender. Logisch toch, want we dienden de katholieke zaak. Bovendien werden we met klem hiertoe aangeraden. Ook dat vonden we gewoon, we hoorden er immers bij: één gemeenschap, één kerk met één waarheid!
De broederschappen en genootschappen in Moergestel
Hoe was het ook weer?
De meest ‘afgeroepen’ berichten in de zondagse missen betroffen de ‘Kleine H. Familie’ (voor de jongens) en de H. Familie (voor de mannen). Voor de meisjes was er de H. Congregatie.
-De H. Familie
De aartsbroederschap van de H. Familie was als landelijke vereniging opgericht door de Redemptoristen met plaatselijke afdelingen, waarin mannen en vrouwen gescheiden deelnamen.
Doel was de ontkerstening van de huisgezinnen tegen te gaan door verering van de H. Familie te bevorderen. Het stond zó in de doelstelling: ‘door de banden der godvruchtigheid de christen huisgezinnen aan de H. Familie toe te wijden, opdat Jezus, Jozef en Maria voor dezelve zouden zorg dragen ….’. Dit vond plaats door wekelijkse bijeenkomsten in de kerk. Ook werd men geacht thuis dagelijks te bidden en oefeningen te doen.
De Broederschap van de H. Familie in Moergestel, die dateert van 1850, was wel de populairste en de grootste in ledental van de vele broederschappen en congregaties, maar kende vanaf 1950 een langzame maar zekere neergang. In de jaren 1950 – 1953 geeft de ledenadministratie van onze parochie elk jaar een stabiel getal van 290 te zien. Erg onwaarschijnlijk, want in 1954 bedraagt het aantal ineens 160. Daarna is gestopt met de registratie. In 1962 werd het landelijk eigen tijdschrift ‘Familieblad’ opgeheven.
- De Mariacongregatie is in Moergestel opgericht in 1848. Zij heet officieel ‘Broederschap van het allerheiligste en onbevlekte Hart van de Allerheiligste Maagd Maria’. De ledenlijst laat in dat jaar het ongelooflijke aantal van 1050 mannen en vrouwen zien. Dat moet dus het hele dorp zijn geweest! De indruk bestaat dat de nieuwe leden in de 25 jaren daarna alleen uit nieuwe plechtige communicanten bestond, die automatisch lid werden.
Later werd in vele plaatsen ‘de congregatie’, alleen voor ‘jonge dochters’, opengesteld en konden de gehuwde vrouwen terecht bij de St. Annavereniging. De laatste kende Moergestel niet.
Het ging niet alleen om de devotie tot Maria, maar ook om toegewijd aan haar een godsdienstig en deugdzaam leven te leiden.
Naast deze primaire doelstelling beoogde de congregatie ook ‘een algemeen vormende maatschappelijke opvoeding en gepaste vormen van ontspanning te bieden’. Het geheel was doortrokken van de zorg om het behoud van de onschuld van de jeugd. In de zondagbijeenkomst werd er gebeden en gezongen uit een ‘eigen’ gebeden- en zangbundel. Anna van de Wouw en Leen Smits waren jarenlang als resp. organiste en dirigente de drijvende krachten. De laatste vijf jaar (tot 1955) zouden er nog 150 meisjes lid van zijn geweest.
Daarnaast waren er echter een groot aantal andere broederschappen die in de tijd gezien in een wisselende belangstelling stonden.
- De Altaarwacht
Deze broederschap is in Moergestel opgericht in 1923, men werd lid bij de vernieuwing van de doopbeloften. In de statuten vinden we dat het doel is: ‘het mishoren op de werkdagen en het bevorderen van de dagelijkse H. Communie. Zij tracht haar doel te bereiken door het doen oprichten van parochiale en niet parochiale verenigingen.’
De leden moeten minimaal hun Plechtige H. Communie hebben gedaan.
- De Broederschap van de Rozenkrans
Het bidden van de rozenkrans werd vooral gepropageerd door de Dominicanen, wat later door enkele pausen is overgenomen. Paus Gregorius XIII stelde het feest van de Heilige Rozenkrans vast op 7 oktober, ter herdenking van de overwinning van de christenen op de Turken in 1571 bij Lepanto. Deze werd aan de uitzonderlijke tussenkomst van Maria toegeschreven. Door deze zeeslag, waarbij de Turken 167 schepen verloren tegen 12 van de christenen, werd de Turkse opmars in Europa tot staan gebracht, een voor de katholieke kerk uitermate belangrijke gebeurtenis
Deze broederschap werd in Moergestel in 1880 opgericht met 80 leden.
Het doel was de H. Maagd te vereren door het bidden van de Rozenkrans. Men moest zich officieel door een pater Dominicaan in laten schrijven. Oorspronkelijk bestond het rozenhoedje niet uit 51 weesgegroeten, maar uit de 51 psalmen van David. Waarschijnlijk was dit voor de grotendeels ongeletterde bevolking niet werkbaar en werd een overstapje naar het huidige rozenhoedje wenselijk.
De leden moesten één keer per week een rozenkrans van 15 tientjes of drie maal per week een rozenhoedje van vijf tientjes bidden. Ook hiermee waren aflaten te verdienen. Tot ver in de jaren zestig werd het rozenhoedje 's avonds in vele Moergestelse gezinnen gebeden. (Vaak ging dat onder het aardappelen schillen, bonen uitzoeken en koe melken door).
- Het Broederschap van de Gedurige Aanbidding van Jezus in het Allerheiligste Sacrament des Altaars
Het doel van deze broederschap was ‘dat er altijd, het hele jaar door, dag en nacht, mensen waren die voor Hem baden, om wat tegenwicht te bieden aan de oneer en versmaadheden die hem door de ongelovigen en slechte christenen aangedaan worden’. De leden namen in een schema een vast biduur voor hun rekening. Daarmee waren aflaten te verdienen.
Deze oude broederschap dateert al van 1799. In 1850 zien we voor het eerst een eerste ledenlijst, waarop we vooral een groot aantal Zusters van Stanislaus te vinden zijn. Normaal gesproken werd er alleen in het jaar van oprichting een ledenlijst gemaakt; wat zijn oorsprong vond in een artikel van het reglement, dat bepaalde dat bij oprichting een namenlijst moest worden gemaakt. In de oorlogsjaren is er kennelijk een opleving geweest, want we zien plots tussen 1941 en 1951 weer een ledenregister met de jongens en meisjes die in het betreffende jaar de Plechtige H. Communie hadden gedaan. Heeft nood leren bidden?
- Broederschap van de H. Kindsheid
Hiervan waren de kinderen vanaf de geboorte tot de Plechtige H. Communie lid. Deze broederschap beoogde de liede en de zorg voor het missiewerk. Aanvankelijk was er minimaal één kindsheidprocessie per jaar (op wereldmissiedag). Deze stond in ons dorp onder regie van Martina Reijnen. Bij haar bracht men ook het gespaarde zilverpapier en postzegels voor de missie. Menigeen herinnert zich nog hoe belangrijk het was op goede voet met Martina te staan, wilde men ooit kans hebben ‘Maria’ te worden of zelfs ‘engeltje, Chineesje en Kapucijn’! oemd was de traktatie na afloop: chocolademelk met een krentebol – wie kreeg dat thuis ooit!
Wanneer de kinderen 12 jaar waren werden ze overgeschreven naar ‘De Voortplanting des Geloofs’ om de belangstelling voor het missiewerk levendig te houden.
De H. Kindsheid dateert al vanaf 1850. Begin jaren vijftig stonden in onze parochie nog 750 kinderen te boek als lid. De landelijke organisatie gaf ook een blad uit, waarvan de naam nogal eens veranderde. Bekend zijn ‘De Annalen van de H.Kindsheid’ en na 1934 lange tijd ‘De Kleine Apostel’.
- Broederschap van de St. Pieterspenning
Opgericht in 1861 met 57 leden. In deze tijd, de tijd van de zouaven, moest de kerkelijke staat grote stukken land afstaan aan het koninkrijk Italië en ontstond de noodzaak nieuwe inkomsten te vinden voor het bestuursapparaat van de kerkelijke staat in Rome. Aanvankelijk volstond een vrijwillige gift. In de jaren vijftig waren alle gezinnen lid, althans zij betaalden 1 cent per maand per communicant aan bijdrage.
- De Broederschap van het H. Hart van Jezus
Opgericht 1855 – 505 leden.
- Broederschap tot uitroeiing van Godslastering en vuile gesprekken
Opgericht ca. 1850. De eerste leden zijn een tiental religieuzen. In de jaren daarna zien we 35 religieuzen terug en worden ook de jaarlijkse plechtige communicanten genoemd.
- Congregatie van deugdzame dochters onder bescherming van O.L.V. van de zeven Weeën en van St. Joseph, bruidegom van Maria
Opgericht in 1846 . De leden moeten hun Eerste H. Communie hebben gedaan. Tweemaal per maand moet men in de vergadering aanwezig zijn. Deze vergadering werd ingevuld volgens aangegeven gezangen en gebeden.
Tijdens het werk moet men schietgebedjes doen; elke dag moesten zeven Onze Vaders en Weesgegroeten worden gebeden ter ere van St. Jozef en het welzijn van de kerk. Voor het slapen gaan moest gewetensonderzoek gedaan worden. Daarnaast moest ‘s morgens tussen 11 en 12 uur over zijn drift of grootste zwakheid worden nagedacht.
Zieke medeleden moesten worden bezocht, en men moest betrokken zijn bij ziekte en dood.
- Broederschap van O.L.V. van Altijddurende Bijstand
Opgericht in 1837 had deze broederschap in 1850 - 28 leden.
- Apostolaat des Gebeds (1874)
Oorspronkelijk opgericht in 1874 is het in 1946 nieuw leven ingeblazen. Door dit lidmaatschap verbonden de leden zich te bidden en al hun werken van die dag te offeren aan de intenties, die de Paus maandelijks aangaf.
- Broederschap de Godvruchtige Vereniging van Sinte Ermelindis
Pastoor van den Boogaard trachtte in 1951 de verering van St. Ermelindis nieuw leven in te blazen. Een onderdeel hiervan was het oprichten van deze broederschap, waarvoor hij in mei van dat jaar goedkeuring van het bisdom verkreeg.
Pauselijk genootschappen en godsdienstige verenigingen
- Het veertigurengebed
Dit vond plaats op de twee dagen voor Aswoensdag en besloten op Aswoensdag.
Om 6,00 uur 's morgens werd Ons Heer uitgesteld en de H. Communie uitgereikt. Alle drie de dagen om 3 uur gezamenlijke aanbidding. Elke avond om half zeven H. Lof; dinsdagavond met "Te Deum"
‘De leden der H. Familie, de leden der Congregatie en de georganiseerde jeugd worden verzocht trouw op de opgegeven uren ter kerke te komen’, kondigde de pastoor ruim van te voren aan.
Ook de plechtige communicanten namen voor een aangegeven uur deel in de aanbidding.
Ook vond hier de scapulieroplegging voor deze jongens en meisjes plaats.
Op Aschwoensdag worden vóór en na de H. Missen aschkruisjes gegeven’ , zo completeerde de pastoor elk jaar zijn oproep.
- De Voortplantig des Geloofs (1842) ligt in het verlengde van de Kindsheid, eveneens bevordering van missiewerk. De leden zijn hier echter 12 jaar of ouder.
- Vruchten der aarden
Dit genootschap is gericht op het houden van processies om een goede oogst af te smeken. De ‘Vruchten-der-Aardeprocessies’ vonden plaats op de Kruisdagen – de drie dagen vóór Hemelvaartsdag. ’s Morgens vroeg trok men in processie elke dag naar de velden in een ander deel van het dorp. Na afloop, om 6.30 uur was er een H.Mis. Tijdens de processie werd de Litanie van alle Heiligen gebed.
- St. Petrus Liefdewerk voor de priesteropleidingen
In 1918 werd kardinaal Van Rossum aangesteld tot prefect van de Congregatie 'Propaganda Fide', d.w.z. voor de geloofsverbreiding. Met zijn missie-encyclieken werd het missiewerk enorm gestimuleerd. De grondvesting van zelfstandige inheemse kerken kwam nu als doel voorop te staan. Om dit zo spoedig mogelijk te bereiken wezen Van Rossum en de pausen van die tijd voortdurend op de urgentie inheemse priesters op te leiden. In de missielanden werden daarom vele seminaries opgericht of vergroot. In de missionerende landen propageerde Van Rossum het Sint-Petrus Liefdewerk voor de opleiding van inheemse priesters; in 1920 werd op zijn aandringen ook in ons land een afdeling hiervan opgericht. De hiervoor benodigde fondsen werden gevonden in de contributies van de plaatselijke leden.
- Retraitepenning
Het doel hiervan was een fonds te vormen om het voor minder bedeelden mogelijk te maken aan retraites deel te nemen. Deze werden gecreëerd uit de contributies. De leden kregen bij deelname aan een retraite de helft van de kosten terug. Jongens in militaire dienst kregen alles vergoed (mits lid).
- De Vereniging van het H. Sacrament, waarvan Jacoba van den Meijdenberg en Fientje Witlox in de jaren dertig de zelatricen waren. Zij verzorgden de H.Hartoptocht voor wat betreft de deelname van de bruidjes.
- De St. Fidelis Missiebond
De kapucijn Pater Andreas, die blind uit de Borneo-missie terugkeerde, is de oprichter van deze bond voor steun aan de missie. Hij richtte in den lande onder meer de Missienaaikringen op en werkte aan verbetering van de positie van doven en blinden. Hiervoor werd jaarlijks gecollecteerd.
Talloos waren verder de bedevaart- en processieverenigingen: H. Cornelius van Esbeek, H. Gerardus, de bedevaart naar Kevelaer, naar Scherpenheuvel, naar Hakendover, naar Den Briel (Martelaren van Gorkum), naar Lourdes
Algemeen
De broederschappen in vroegere tijden
In de vroege Middeleeuwen zien we naast de ambachts- en schuttersgilden ook de geestelijke broederschappen ontstaan. Vaak kwamen de eerste uit de broederschappen voort. Dat gold ook voor de rederijkerskamers die aanvankelijk de feestelijkheden van belangrijke kerkelijke gebeurtenissen organiseerden, maar zich later toelegden op het schrijven en dichten van toneelstukken, refreinen etc.
Broederschappen waren door de (R.K.) kerk goedgekeurde verenigingen van leken met een godsvruchtig doel. Van de leden van deze verenigingen, broederschappen en genootschappen, werd verwacht dat zij door een godsvruchtig en deugdzaam leven zich niet alleen verre hielden van de in de ogen van de Kerk verderfelijke vermakelijkheden en uitspattingen, maar zo ook een voorbeeld stelden aan anderen. Ook langs deze weg trachtte de kerk de gelovigen meer aan de Kerk te binden.
In de 17de eeuw nam het aantal gelovigen dat op kerkelijke hoogdagen als Pinksteren, Allerheiligen en Kerstmis ter communie ging, steeds meer toe. De broederschappen die vanaf 1640 in vele parochies opgericht werden, hebben er toe bijgedragen dat een groot aantal gelovigen maandelijks biechtte en ter communie ging, omdat de statuten van deze verenigingen hun leden hiertoe verplichtten.
De trend van broederschapstichtingen uit de 17de eeuw zette in de 18de eeuw in nog in sterkere mate door. Bedevaartsoorden bleven een groot aantal gelovigen lokken. Relieken wonnen enorm aan belang. Daarom werden er door vele priesters en leken ook grote inspanningen geleverd om relieken te bemachtigen.
Het priestertekort, waaronder de 17de eeuw te lijden had, werd in de 18de eeuw volledig weggewerkt, maar in 1797, na verovering door de Fransen, werden tevens alle actieve congregaties opgeheven.
Rond 1850 was er een sterke opleving. Door de grondwet van 1848 kwam er weer vrijheid van godsdienst. De katholieken kwamen die al rond 1800 uit hun schuurkerken waren gekomen, kregen nu ook vrijheid van geloofsuiting en de kerkelijke hiërarchie werd in 1853 hersteld – we hadden weer bisschoppen en daarmede leiding.
Hier begint in feite het rijke roomse leven, een stormachtige ontwikkeling in nieuwe vormen van geloofsuiting, die tot 1960 zou voortduren. Het hoogtepunt zou komen in de jaren dertig, toen het devotialiseringsproces krachtig ter hand werd genomen. Naast de bestaande kwamen er vele nieuwe broederschappen, waarvan er enkele in de jaren na 1920 sterk opleefden. Het merendeel hiervan vinden we terug in Moergestelse lijst. Daarnaast zijn er die Moergestel niet heeft gekend, zoals de Broederschap tot Lafenis der Geloovige Zielen (1897), de St. Vincentiusvereniging, de Elisabeth-Vereniging, de vrouwelijke evenknie.
Epiloog
Tijden veranderen, maar onmiskenbaar is er door de eeuwen heen een behoefte geweest zich te verenigen, samen te werken aan sociaal maatschappelijke of religieuze doelstellingen of idealen. Dat de kerken hierin het initiatief namen is niet verwonderlijk, immers naastenliefde en de zorg voor de ander is toch het adagium van elke godsdienst, niet alleen van de katholieke kerk. De mens is in de kern een sociaal wezen. Dat de katholieke kerk wat doorsloeg is misschien te verklaren uit de drang naar een eigen identiteit, na de vele jaren van onderdrukking en strijd. De geestelijkheid ging vóór in deze nieuwe tijd, de herder hoedde zijn schapen in een strikte vorm waarin de scheidingsgrens tussen goed en kwaad duidelijk werd gemarkeerd. We zijn die tijd ontgroeid, het was een fase in onze ontwikkeling. In onze tijd weten we zelf wel wat goed voor ons is en past zulke bemoeienis niet meer, wat het gevaar inhoudt dat we door een sterk individualistische houding los komen te staan van onze medemens.
Tegelijkertijd zien we nog steeds behoefte om gezamenlijk uitdrukking te geven aan idealen en doelstellingen, zoals we die terugvinden in bewegingen en broederschappen als Morele Herbewapening, de vrijmetselaarsloge, de Rozenkruisers en misschien ook wel ‘de Gouden Dageraad’. Waar de grens met ‘sekte’ wordt overschreden is niet altijd duidelijk.
(Noot: ongetwijfeld zullen er mensen zijn die zich nog veel andere herinneringen hebben aan de broederschappen in ons dorp. Als u vindt dat deze voor het nageslacht bewaard moeten blijven belt u dan naar Ad Wolfs, tel. 5132309, of Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft JavaScript nodig om het te kunnen zien. . In een volgende publicatie kan dan daarop worden teruggekomen.
AW
Aflevering 10
Een greep uit 75 jaar katholiek leven in Moergestel
Inleiding
Velen zullen met gemengde gevoelens terugkijken op de periode, waarin de nieuwe kerk centraal stond. Men kwam er in de jaren dertig vaak, dat was normaal, een vanzelfsprekendheid. In die grote, holle ruimte, met het mysterieuze lampje dat altijd brandde voor de altijd aanwezige God, waar het geluid van buiten nauwelijks doordrong wisten we ons, versterkt door geuren en kleuren, in het huis van God. Deze sprak door de mond van de pastoor, wiens gezag onaantastbaar was. Onaantastbaar? Was het de Brabantse goedlachsheid die er toch een wat vrijblijvender klank aan gaf?
In dit artikel ligt het accent vooral op de jaren dertig tot zeventig, de tijd die nog ‘vers’ in het geheugen van de ouderen onder ons ligt en de tijd van de grote omwenteling. Het zou in deze context te ver voeren gedetailleerd in te gaan op de vele aspecten van de gehele periode ‘75 jaar kerkgebouw’.
Hoe het was!
Ver weg op het altaar stond tijdens de mis de priester met de rug naar ons toe. Zijn woorden waren niet te verstaan, want er waren geen microfoons. Heldere belletjes gaven aan dat we moesten gaan knielen, want het hoogtepunt, de consecratie, was daar. Het hoesten hield dan even op.
In de hoogmis hielden de kleuren van de gewaden en de zoete geur van wierook onze aandacht vast. Er was wat afwisseling door de kerkmeesters met hun collectezakjes en schalen, nadat de preek ons naar het einde had doen verlangen. Dat einde verloste ons van dampende regenjassen of de zwoele lucht van zweterige dorpsbewoners!
Iedereen ging ter communie: in één grote stormloop naar de communiebank. Tientallen vermaningen van de pastoor hielpen niet. Het werd beter toen de Broeders ‘het verkeer’ gingen regelen en zeker toen het aantal kerkbezoekers af ging nemen. De van de communiebank terugkerende mensen zaten nog een kwartier met de handen voor de ogen.
We baden uit ons ‘Handboek voor de katholieke jongeman’ of ‘meisje’, herlazen de gedachtenisprentjes van oma en opa; de tekst doordrong ons nog dieper van de goedheid van God. Tenslotte draaiden we ons om naar het missiekruis achter in de kerk. De ‘staanders’ hadden de kerk al verlaten met ‘het laatste kruisje’ en stonden rokend op straat of voor de winkel van Sjaak van Hulten – de duivenmelkers, boeren en werklui in afzonderlijke groepen. De duivenmelkers bleven in de zomer vaak maar kort, want hun vogels konden terugkeren van St. Vincent.
Velen stonden nog te luisteren naar de dorpsomroeper, Joaneke Doamen, maar hielden er niet veel meer aan over dan: “hoort zegt het voort” op het eind.
We waren een blije kerk, al bedrukte het sommigen dat ze om half drie nog naar het H. Lof moesten. Ze hadden ook naar twee missen kunnen gaan!
We knielden als de priester langs kwam om Ons Heer naar de zieken te brengen en we groetten mijnheer pastoor als hij, (ook zonder Ons Heer) langs kwam, anders werden we teruggeroepen, maar we waren een blije kerk. We gingen drie avonden lang naar ‘de bidderij’ als iemand uit de straat was overleden om de rozenkrans te gaan bidden, nadat eerst een ‘steentje’ of het ‘strooike’ voor het huis was gelegd. De buurt droeg zelf de dode.
In de eerste klas kregen de jongens les uit ‘de Kleine Catechismus’ ter voorbereiding op de Eerste H. Communie – dat deed pastoor Janssen zelf. In de meisjesschool nam de kapelaan dat voor zijn rekening. Later werd in de klas de Grote Catechismus besproken. Hiervan moesten thuis de vragen en antwoorden van buiten geleerd worden. De Broeders en Zusters overhoorden ons en er werd een punt voor gegeven, zichtbaar op het rapport. Als de resultaten erg goed waren resulteerde dat in een prentje of een missaal bij de Plechtige H. Communie. Maar daarvóór hadden we al het vormsel uit handen van de bisschop ontvangen en het scapulier, waardoor we ‘soldaat van Christus’ waren geworden.
We gingen elke morgen naar de mis van zeven of acht uur; de jongens in het najaar meestal naar de vroegmis omdat de weg erheen dan nog noten en kastanjes opleverde. Ook het misbezoek kwam op het rapport; zo maakten de jongens van de nood een deugd.
Op Allerzielen gingen we pesjonkelen; kerk in, bidden, kerk uit, tientallen keren en elke keer verdienden we een volle aflaat voor de overleden zielen!
De pastoor kwam een keer per jaar op huisbezoek. In de jaren twintig bemoeide hij zich ook met de gezinssamenstelling. Was er misschien ook een priesterkandidaat bij? Voor mijnheer pastoor bewaarde vader zijn beste sigaar. Voor een gave in natura of in geld kwam de pater Kapucijn, een indrukwekkende maar zeer bescheiden minderbroeder met een ruige baard gehuld in een bruine pij, met blote voeten in open sandalen in het seizoen dat wij onze lange kousen al aan hadden. We keken naar hem met respect en ontzag en begrepen niets van de mystieke wereld, die hij vertegenwoordigde.
We kenden, toen we tien jaar waren, het Weesgegroet, Onze Vader, de Oefeningen van Berouw, Geloof, Hoop en Liefde en iets later het Gloria, Credo, Salve Regina en Tantum Ergo feilloos uit het hoofd. Het zou er decennialang in blijven zitten, ondanks dat voor het merendeel van de gebeden de praktijkoefening ging ontbreken.
We baden voor en na elke maaltijd, al was het soms met een onbestemd kruisteken, waarvan moeder onmiddellijk opmerkte dat er in huis geen vliegen zaten. We baden op de knieën ons avondgebed – voor het morgengebed was de tijd meestal te kort. We waren een beetje vergroeid met het geluid van de klokken dat ons opriep voor elke mis, het veertigurengebed, de paasplechtigheden, de eerste Vrijdag van de Maand, rouwen, trouwen en feesten. De Broeders en Zusters onderwezen ons, bereidden ons voor op hoogtijdagen als Eerste H. Communie, Vormsel, Plechtige H. Communie, huwelijk en dood. Zelfs onze oude dagopvang lag soms in hun handen. We voelden ons veilig, want zelfs als we ons vergaloppeerd hadden was er de biecht om ons weer op te nemen in de blije kerk van die dagen. De dorpspraat mocht dan hoogtij vieren, we wisten immers alles van elkaar, maar als verlies en verdriet toesloegen stonden we klaar voor elkaar. We voelden ons nog geen mantelzorger als we de opdracht van moeder uitvoerden boodschappen te gaan doen voor de buurvrouw die slecht ter been was.
De kerk dichterbij
Na de Tweede Wereldoorlog verbleekte geleidelijk de rijkdom van dat Roomse leven dat in 100 jaar was ontwikkeld. Het is goed naar die ontwikkelingen te kijken, waar te nemen hoe onze voorouders en ook nog de ouderen onder ons hun geloof beleefden, de rituelen en de macht en de kracht van de kerk die van zo’n grote invloed waren.
De aansturingkrachten vanuit de kerk, heel symbolisch midden in ons dorp, waren vele jaren lang sterk.
In de jaren dertig en veertig zagen we regelmatig de Missieweken, met de dagelijkse bijeenkomsten en onderricht. In de afsluitende dienst vond de opdracht van de jongeren plaats: de jongens aan de Kleine H. Familie en de meisjes aan de H. Congregatie. Daarnaast kende men het Triduüm, de driedaagse periode van gebed en bezinning op de dagen vóór Pasen. Hiervoor kwamen meestal Jezuïeten, soms ook Redemptoristenpaters. In de jaren dertig en veertig waren ook de Kapucijnen erg actief met het geven van retraites aan met name ‘arbeidersjongeren’ en jonge boeren en boerinnen. De bezinningsdagen in de parochie stopten na 1960 nagenoeg geheel.
Een greep uit de vele mededelingen vanaf de preekstoel typeren de sfeer en de ontwikkeling in de jaren na de oorlog tot 1970.
- ‘1947. Na de laatste mis bijeenkomst van de Jonge Boeren en de Kajotters in ´De Vereniging´ voor bespreking collecte voor de Katholieke Universiteit
- Deze week van negen tot twee uur kinderen aangeven voor het nieuwe schooljaar. Trouwboekje meebrengen!
- De slachtmaand staat voor de deur. Gelieve hierin ook te denken aan het onderhoud van uw kerkelijke leiders.
- De Vincentiusvereniging van Heemstede nodigt 25 kinderen tussen 6 en 12 jaar uit om een week bij particulieren in Heemstede te komen logeren. Opgeven bij Jan Jonkers.
- In de jongensschool zal een Sociale Cursus worden gegeven.
- Woensdag is er een recollecte-avond voor KAB-leden.
- Bijeenkomst van alle zelatricen , t.w. van Voortplanting des Geloofs, Kindsheid, Retraitepenning, St.
Pieterspenning, O.L.V. van Altijddurende Bijstand, St. Ermelindis en Apostolaat des gebeds. (Noot: Er volgt nog een aparte publicatie over de ‘Broederschappen’). - 1949. Mgr Mutsaers komt de nieuwe klokken wijden. Bruidjes halen Mgr. af en begeleiden hem naar de pastorie. Wil iedereen langs de aankomstroute de vlag uitsteken?
- Komende weken wordt het communicantengeld opgehaald.
- 2 februari. Maria Lichtmis. Voor jonge moeders is de kerkgang na de bevalling.(geestelijke zuivering van de moeder).
- Zondag om 11.30 uur bijeenkomst H. Familie.
- Voor de nachtmis zijn geen plaatsen gereserveerd. Ieder gezin ontvangt twee kaarten.
- Daags voor Kerstmis zal een derde biechtstoel worden geopend. Deze staat bij het Maria- altaar. Pater Van Den Berg hoort hier biecht
- 1953. In verband met de Watersnood zullen er morgen twee H. Missen zijn, waaronder een Hoogmis, die worden gecelebreerd voor de slachtoffers van de Watersnoodramp.
- De collecte is voor het Seminarie.
- Morgen is de laatste dag waarop het zuivelgeld kan worden betaald: 25 ct. per persoon, in de offerblok. (Noot: zuivelgeld is een afkoopbedrag voor degenen die zich op de vrijdagen in de vasten niet onthouden hebben van het eten van vlees. In 1962 werd dit opgeheven).
- Sacramentsdag - sacramentsprocessie. Willen de bewoners langs de route hun huizen versieren en de vlag uithangen? Voor bloemen voor op het altaar zullen zakjes worden verspreid voor uw geldelijke gaven. De zakjes worden opgehaald.
- Willen de verenigingen zich in de processie voegen in uniform en met vaandel! De processie vertrekt om 7.30. uur. Leden van de Sacramentsvereniging begeleiden de stoet met flambouwen. Het rustaltaar is vóór de pastorie. Hier vindt de H. Mis plaats. - We roepen de meisjes op zich op te geven voor de Mater Amabilisschool.
- De komende weken zal het kapelaansgeld worden opgehaald. (25 cent per kind dat op de lagere school zit, voor de godsdienstlessen door de kapelaan)
- zoals gebruikelijk zal na de uitvaart van NN. om 2.30 uur de Rozenkrans en om 7.30 uur de Kruisweg worden gebeden.
- 1958. Biechthoren wekelijks op vrijdag tussen vijf en zeven uur.
- Mijnheer pastoor geeft de landbouwers verlof vandaag de oogst binnen te halen.
- Volgende week zijn de Kruisdagen (Noot: maandag, dinsdag en woensdag vóór Hemelvaartsdag). Elke dag is er om 6.30 uur processie met kruis door de akkers onder het zingen/bidden van de litanie van Allerheiligen. Hierna gezongen H. Mis voor de vruchten der aarde. Elke dag wordt een andere route gelopen.
- Opgeven voor de Middenstandopleiding.
- 1960. Voor het misdienaarreisje mogen de misdienaars komende zondag collecteren aan de ingangen van de kerk
- Er zal nog maar één collecte gehouden worden. Wij vertrouwen erop dat de offerbereidheid niet vermindert.
- De ‘open schaal’ blijft gehandhaafd voor de Missie, het Seminarie, de Arme Kerken en het Orgelfonds.
- Binnenkort starten we met de eerste tienermis.
- 1962. In het Cenakel is een retraite voor jonge meisjes.
- 1963 (oktober).Vanaf heden invoering van gebeden in de Nederlandse taal. Dit geldt voor: het Credo, Pater Noster en het Domine Non Sum Dignus. Ook het knielgedrag wordt gewijzigd.
- 1966 (januari). Het aantal kerkbezoekers bedroeg dit weekend 2842.
- 1967 De afgelopen paar jaar is er vaak geen H.Lof geweest. Besloten is het H. Lof niet meer te houden.’
De omslag
In de jaren zestig brak de vrijheid uit. Onze ouders discussieerden over uitspraken van Mgr. Bekkers over zaken die wij jongeren niet goed begrepen: onthouding en eigen verantwoordelijkheid in de seksuele relatie. Men zei dat velen in die tijd zingend de kerk uitgingen, maar wij jongeren begrepen niet waarom men daarbij gniffelde. De blije kerk werd nog blijer, want de druk van het zoveel dingen moeten viel weg. Men hoefde niet meer op zondag naar de kerk om doodzonde te vermijden, en dus deden velen dat niet meer.
De sanctie die kon volgen uit de persoonlijke biecht, één keer per jaar, verloor zijn angels, want de gemeenschappelijke biecht elimineerde dat probleem en dus verdween ook die geleidelijk.
De katholiek van die dagen werd volwassen, mocht naar eigen geweten handelen. Dat werd niet altijd een succesverhaal, zo bleek in de loop der jaren.
De wat oudere parochiaan die ver kan terugzien laat zich vaak wat laatdunkend uit over die tijd door accenten te leggen op wat we soms mistoestanden noemen. Niemand wil naar die periode terug, maar soms bekruipt mensen het gevoel iets verloren te hebben, onduidelijk maar onmiskenbaar. Zuivering was nodig, maar hebben we niet teveel weggegooid vraagt men zich dan af. Waarom heeft de verkregen vrijheid niet tot blijheid geleid? Wat missen we dan? Is het het oude gemeenschapsgevoel, het ergens bijhoren, een zekere mate van warmte, zekerheid en acceptatie, of is het een stukje van de waarden en normen van die tijd, waarin de kerk zo’n grote rol speelde en waaraan geen Minister-president ons hoefde te herinneren? Is het omdat de mensen ontdekten dat ware vrijheid gekoppeld is aan discipline? Iets zouden zij er van willen overdragen op hun kinderen en kleinkinderen, maar zij weten niet precies wat en hoe en berusten. En de tijd sleept hen voort; die staat immers nooit stil!
Epiloog
Bovenstaande opsomming vormt slechts een greep uit de geloofscultuur van die tijd. Ook na de jaren zeventig en de tijd daarna hebben veel veranderingen plaatsgevonden. Teveel om in dit artikel te noemen. Vele jongeren zullen er met verwondering naar kijken en vele ouderen met gemengde nostalgische gevoelens. Hopelijk overheerst de mildheid hierin. Onze 75-jarige kerk, waarin en waar omheen zich dit alles voltrok staat er nog steeds. We kunnen haar zien als een symbool voor de onvergankelijkheid van het geloof. Zij vormt tevens een aanmoediging voor de huidige en de volgende generaties beide, zowel het kerkgebouw als het geloof in stand te houden, niet beïnvloedbaar door de stormen van de tijd.
(Noot: ongetwijfeld zullen er mensen zijn die zich nog veel andere kerkelijke gebruiken en rituelen van ons dorp herinneren. Als u vindt dat deze voor het nageslacht bewaard moeten blijven belt u dan naar Ad Wolfs, tel. 5132309, of Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft JavaScript nodig om het te kunnen zien. . In een volgende publicatie kan dan daarop worden teruggekomen.
AW
Aflevering 9
De bankverpachting
Ter inleiding
Wanneer het verpachten van banken is ontstaan is niet duidelijk. Waarschijnlijk is het rond 1900 geleidelijk in de parochies ingevoerd. We weten uit overlevering dat pastoor van Rijckevorsel van Kessel het rond 1904 in onze kerk heeft geïntroduceerd. Deze pastoor van gegoede huize, de energieke bouwer van het verenigingsgebouw en de boterfabriek, was erg vooruitstrevend. Hij betaalde het verenigingsgebouw voor een deel uit eigen middelen en had graag een nieuwe kerk gebouwd, waarvoor hij al in 1915 een fonds oprichtte. Niet onwaarschijnlijk dat hij al vroeg begreep dat de arme parochie op gestructureerde wijze het jaarlijks inkomen moest zien te vergroten.
Als een vorm van systematische aanpak om de parochianen bij te laten dragen aan de instandhouding van kerk en parochie die toen in zwang kwam, was bankverpachting een goede methode voor het verkrijgen van een vaste bron van inkomen. Hierbij was ook sprake van een zekere vrijwilligheid op basis van keuze en een vorm van betaling naar draagkracht. De ‘betere standen’ konden hun draagkracht tonen en natuurlijk ook hun betrokkenheid bij hun kerk of beide. Hun aanzien kon er mee vergroot worden, wat een sterk motief was, zeker in de eerste helft van de vorige eeuw.
Deze vorm van financiële bijdrage vond in de jaren zestig zijn einde. De democratiserende jaren en de grote vernieuwingsdrang die volgden op het Tweede Vaticaans Concilie maakten korte metten met de bankverpachting, maar voor pastoor Janssen bleek het in 1932 nog een zeer welkome inkomstenbron.
Algemeen - verpachten bij opbod na taxatie.
Het verpachten van de kerkbanken was dus algemeen gebruik en vormde een belangrijke, vaste bron van inkomsten voor de parochies. Hoe ging dat in zijn werk?
De banken waren vooraf getaxeerd door enkele leden van het kerkbestuur. Het bedrag van de voorste banken langs het middenpad was uiteraard het hoogst en daalde naarmate de positie van de banken minder riant werd. De toewijzing aan de parochianen geschiedde door verpachting na bieding bij opbod.
Door taxatie werd dus een pacht bepaald, die jaarlijks betaald moest worden; voor de nieuwe pachter gold alleen het eerste jaar het bedrag van zijn bieding.
De pachter kon zijn pacht opzeggen, waardoor de bank vrijviel. Bij overlijden gingen zijn rechten over op zijn vrouw, maar daarna niet op de kinderen, wanneer ook de vrouw overleed. Er zijn schrijnende situaties bekend. Zo viel in een groot gezin met opgroeiende kinderen de vader weg. Moeder kon het zeer bescheiden bedrag van een bank achter in de kerk niet opbrengen en de bank verviel; pijnlijke accentuering van het verlies met consequenties ervan zelfs in de kerk.
Afhankelijk van de financiële mogelijkheden en de motivatie van de gegadigden kwam men vaak tot zeer hoge biedingen .
Procedure in onze parochie
Jaarlijks werden in de maand mei de vrijgevallen banken verpacht. Plaats en datum en nummer van de bank werden van te voren vanaf de preekstoel bekend gemaakt. Na de aankondiging kwamen de gegadigden naar de kerk en namen hun plaats in in de vrijgevallen, genummerde bank van hun keuze. Pastoor Janssen en burgemeester Bardoel, in zijn hoedanigheid van secretaris van het kerkbestuur, regelden de verpachting bij opbod. Soms werd er flink tegen elkaar opgeboden, vooral voor de eerste rijen. De fabrikanten en andere notabelen boden hoog, wanneer men zijn zinnen op een bepaalde bank had gezet. Maar ook rijke boeren boden nogal eens goed partij. Aanzien en prestige speelden hierbij een rol. Ook de afzonderlijk bidstoelen en klapstoelen werden verpacht.
Het bezit van een bank gaf de pachter de mogelijkheid wat laat in de kerk te komen, want men had toch immers altijd een plaats. Boze tongen beweerden dat het een bijkomend ‘voordeel’ had; iedereen kon je goed zien binnenkomen.
De pachtbedragen lagen in de jaren vijftig en zestig in onze parochie tussen de vijfentwintig en honderd gulden per jaar. Deze moesten bij burgemeester Bardoel (als secretaris van het kerkbestuur) op het gemeentehuis contant betaald worden.
Soms pachtten twee gezinnen een bank of vond onderpacht plaats. Hierbij ‘kocht’ de onderpachter enkele plaatsen voor bepaalde afgesproken missen.
Als een plaats voor onderpacht beschikbaar kwam meldde men dit bij de kerkmeester. Op gezette tijden trof men achter in de kerk lijsten aan met banknummers die beschikbaar waren. Hierop werd tevens aangegeven hoeveel plaatsen en in welke missen. Gegadigden namen rechtstreeks contact op met de hoofdpachter.
De mensen voor wie pachten financieel niet haalbaar was mochten na het evangelie de lege plaatsen innemen, anders resteerden de ‘gemèèn benkskes’ voor de kinderen of staanplaatsen voor de volwassenen (altijd mannen!) achter de laatste banken of onder de toren. Gekscherend werd wel eens gezegd: ‘Ik heb een plavuis gepacht’.
De vaste ‘staanders’, die door de pastoor goed in de gaten werden gehouden om kletsen en soms zelfs kaarten zoveel mogelijk tegen te gaan, waren er vaak niet op uit om in de banken te gaan zitten. De preek begon nogal eens met een oproep aan deze mensen. De pastoor wachtte wel eens extra lang in een poging het verhuizingproces te versnellen.
De mensen wachtten zich ervoor om vóór het evangelie in een gepachte bank te gaan zitten om niet weggestuurd te worden..
De voorste bank was gereserveerd voor de kerkmeesters die tevens collectanten waren. Ook was een bank gereserveerd voor de huisarts, vanwege de bereikbaarheid. Dr. Van Delft zat in de eerste rij in de zijbeuk en de hele parochie wist dit, zodat hij snel opgeroepen (lees gehaald) kon worden.
De bankverpachting van de nieuwe kerk
Een van de taken van pastoor Janssen, die voortkwam uit de naderende oplevering van zijn nieuwe kerk, was het verpachten van de nieuwe banken. De eerst stap was het taxeren van de banken. Het bestuur zal het wel hoofdbrekens hebben gekost, omdat er ten opzichte van de oude kerk nogal wat verschillen waren. Het bestuur moest nieuwe inschattingen maken van de aantrekkelijkheid van de plaatsen in een kerk met een heel ander interieur. Zo stonden langs de hoofdpad in het middenschip van de oude kerk aan weerszijde een rij banken voor slechts vier personen en langs de zijkanten een rij voor drie personen per bank. Aan de zijkanten van het middenschip stond een rij pilaren als gevolg van de grote restauratie en uitbreiding van 1880. Het zicht van de buitenste rij moet dus beduidend slechter zijn geweest. Moesten zij de parochianen voor hun nieuwe riante kerk meer laten betalen? Of werd hier van af gezien omdat de grotere capaciteit van de kerk dit wel zou compenseren! We weten het niet. Het eindbedrag van de taxatie is wel bekend: fl. 5600.
Het was de pastoor ter oren gekomen dat er veel animo was en er hoog geboden zou kunnen worden. Deze ‘menselijke’ pastoor waarschuwde dus zijn parochianen: “ Ik heb gezegd tot driemaal toe: menschen, neem de banken aan taxaat. Als u het niet doet en U biedt elkander op dan niet zeggen: de pastoor of het kerkbestuur is er de schuld van. Neen, niet opbieden, neem de banken aan taxaat en nu vooruit, we gaan in zee.”
Hij moet tegen zijn financiële behoeften in gesproken hebben, want hij had al zicht op een grote overschrijding van zijn interieurbegroting. Ook vocht hij tegen de wensen van de bisschop die een familielid als potentiële leverancier/kunstenaar had gestuurd voor zijn altaar en andere attributen. Diezelfde bisschop moest ook zijn financiële wensen goedkeuren!
Is het een wonder dat na de verpachting, toen Mgr. Diepen na de consecratie van de kerk in de pastorie dineerde, het volgende gesprek plaats vond:
“Monseigneur, er is me een steen van het hart.”
“Hoezo?”, vroeg Monseigneur.
“Ja, ik geloof dat nog nooit onder Uw bestuur is gebouwd een kerk, waarmede U zo weinig werd lastig gevallen. Maar die steen is van mijn hart, want dezer dagen heb ik de banken verpacht. Ons kerk is wel arm, maar ik meen toch niet bij U aan hoeven te kloppen om financiële steun. Tot nu toe brachten de banken ca . f. 6000 op …!”
Dit zei hij heel korte tijd nadat hij in zijn memoriaal schreef:
“Voordat Mgr. Diepen op 30 mei de kerk kwam consacreren, heb ikzelf met hulp van de kerkmeesters de banken verpacht. Ons bestuur had ze gebaseerd op circa f. 5600
Enkele banken gingen natuurlijk veel te hoog weg; er was er één bij van f. 500. Dit is te zien in de bank- en stoelenverpachtingsboeken, die op het raadhuis liggen, waar ook de laatste jaren betaald werd bij de Edelachtbare Burgemeester Bardoel (secretaris van het kerkbestuur). Ze brachten den eersten keer op ca. f. 7200. Ik zou mijn opvolger aanraden in de verpachting niet te veel verandering te brengen. Ik was gelukkig …!”
Met dit leugentje om bestwil gaf hij zichzelf financiële armslag en kon hij zijn wensen voor zijn interieur een steuntje in de rug geven.”.
Nieuwe tijden, nieuwe werkwijzen.
De verpachtingen gingen door tot medio 1960. Zij werden toen vervangen door ‘plaatsengeld’ – vijftien cent, schoolkinderen vrijgesteld. Daarmede was het voor iedereen vrij ergens te gaan zitten tegen betaling van vijftien en later vijfentwintig cent. Dit bedrag werd opgehaald door de koster en een helper, buiten de bestaande collecten om.
In 1958 was het plaatsengeld al ingevoerd voor de zondagse 8.00 uur mis. Dit had veel weerstand opgeroepen; soms werden mensen uit de bank geweerd. Het was zo erg dat de pastoor in zijn mededelingen vanaf de preekstoel sommeerde dat het afgelopen moest zijn, omdat anders de bankverpachting helemaal zou worden afgeschaft. Dit gebeurde dus binnen twee jaar.
In december 1961 werd het plaatsengeld afgeschaft en de gezinsbijdrage ingevoerd. De parochianen werd verzocht hieraan deel te nemen door invulling van een formulier, waarin tevens het bedrag van de deelname moest worden ingevuld. Als richtbedrag werd aangegeven 25 cent voor elke duizend gulden verteerbaar inkomen. De pastoor lichtte een en ander vanaf de preekstoel toe. Hij besloot dit betoog met zijn vertrouwen uit te spreken in de eerlijkheid en volwassenheid van zijn parochianen. Het formulier moest vóór een bepaalde datum op de pastorie worden ingeleverd. De ontbrekende formulieren zouden vervolgens door Jan Jonkers aan huis worden opgehaald.
Ondanks deze werkwijze beschaamden de parochianen kennelijk toch het vertrouwen van hun herder, want in augustus 1964 meldt deze vanaf de preekstoel dat er in de schaal van de afgelopen zondag meer dan duizend koperen centen waren aangetroffen….! Hij zou hierop regelmatig terugkomen stelde hij. Hiermede werd de aftrap gegeven voor de ‘koperactie’ van de pastoor. Wekelijks wees hij op ludieke wijze op de aanwezigheid van koper en de noodzaak om op zilver over te gaan.
Tot op de dag van vandaag kan de gezinsbijdrage niet bogen op grote successen, maar dat valt buiten de context van dit verhaal.
AW
Aflevering 8
De Johannesramen in de kerk van Moergestel
In de kerk van Moergestel bevinden zich een aantal glas-in-loodramen.
Het meest onbekend, want vanuit de kerk niet zichtbaar, is het grote Ceciliaraam dat in de torenmuur zit boven de ingang. Het is helaas aan het oog van de kerkgangers onttrokken door het orgel. Het raam is van de “glazenier en hofleverancier van Z.H. de Paus” Wilhelm Derix uit Goch bij Nijmegen. Het werd geplaatst op 21 december 1927.
Achter in de kerk zien we twee ramen van de hand van Egbert Dekkers, de priester-kunstenaar, die rector was van het klooster van de Zusters van Liefde Stanislaus. De beide ramen, links en rechts van de ingang stellen heiligen voor die nauw betrokken zijn bij Moergestel. Het raam bij het Maria-altaar beeldt af de heiligen Crispijn en Crispinianus, die beiden patroon zijn van schoenmakers, leerlooiers en leerbewerkers, beroepen waarin van oudsher veel inwoners van Moergestel werkzaam waren. Het raam aan de andere zijde, bij de Gedachteniskapel, beeldt af de H. Isidorus, patroon van de boeren en de H. Ermelindis, hier als patroon van de veehouders, omdat de vroegere melkfabriek van Moergestel naar haar was vernoemd.
Boven het tabernakel in het voormalige St. Jozefaltaar voor in de kerk bevindt zich een roosvenster met een abstracte voorstelling in warme kleuren.
In de wand van de zuidelijke dwarsbeuk bevinden zich twee ramen, vervaardigd door Toon Ninaber van Eijben, geplaatst in 1941 en geschonken door de heer Carol Schade en zijn echtgenote mevrouw Jeanne Schade- van Kempen. Het ene geeft het leven weer van de heilige Carolus Borromeus, het andere het leven van de heilige Jeanne d’Arc, patroonheiligen van beide echtelieden.
Johannesramen
De meest opvallende ramen in de kerk zijn natuurlijk de vier grote, lange ramen in de absis. Ook deze ramen zijn vervaardigd door de kunstenaar A.C. (Toon) Ninaber van Eijben uit Boxtel en stellen episodes uit het leven van Johannes de Doper voor en de relatie van Moergestel met zijn patroon Johannes.
In het eerste raam zien we wat aan de geboorte van Johannes voorafging. Johannes’ ouders,
Zacharias en Elisabeth waren hoogbejaard en Elisabeth onvruchtbaar. In het bovenste deel van het eerste raam zien we afgebeeld hoe de engel Gabriël desondanks aan hen kwam melden dat hun gebed was verhoord. Zij zouden een zoon krijgen en de engel meldde: “Hij zal groot zijn voor de Heer en vele kinderen Israëls zal hij bekeren tot de Heer hun God”.
Omdat Zacharias dit niet geloofde verkondigde Gabriël ook dat hij stom zou zijn tot aan de geboorte van zijn zoon. Toen het kind geboren was, vroeg men aan Elisabeth hoe het kind moest heten. Men verwachtte: Zacharias, naar zijn vader, maar Elisabeth was het daar volstrekt niet mee eens: “Johannes moet hij worden genoemd”. Niemand in de familie heette echter zo en daarom vroeg men het met gebarentaal ook aan Zacharias. Deze vroeg een schrijftafeltje en schreef daarop de naam: Johannes. Op datzelfde ogenblik was hij van zijn stomheid genezen. Dit tafereel zien we afgebeeld in het onderste gedeelte van het raam.
Tweede raam: Visitatie en prediking
De bovenzijde van het tweede raam toont de Visitatie: Maria ontmoet haar nicht Elisabeth.
De evangelist Lucas verhaalt: “In die tijd dan begaf Maria zich op weg en vetrok met spoed naar het bergland, naar een stad van Juda. Ze kwam aan bij het huis van Zacharias en begroette Elisabeth. Zodra Elisabeth de begroeting van Maria hoorde, sprong het kind in haar schoot op en Elisabeth werd vervuld van de Heilige Geest. Met luide stem begon zij te spreken: “Gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend de vrucht van uw schoot”. Waarop Maria de prachtige tekst spreekt die wij kennen in het Magnificat: “Mijn ziel verheerlijkt de Heer, mijn geest jubelt voor God, mijn Redder, omdat Hij neerzag op de geringheid van Zijn dienstmaagd”.
In de onderkant van het tweede raam zien we Johannes predikend in de woestijn. Hij wijst het Lam Gods aan, zoals vermeld in het evangelie van de evangelist Johannes, hoofdstuk 1, vers 20: “De volgende dag zag hij Jezus naar zich toekomen en hij zei: “Zie het Goddelijk Lam, dat de zonden van de wereld wegneemt. Van Hem heb ik gezegd: Na mij komt een man, die boven mij staat, omdat Hij eerder bestond dan ik. Ook ik kende Hem niet, maar daarom kwam ik dopen met water, opdat Hij in Israël bekend zou worden”.
Derde raam: Doop en onthoofding.
In de bovenkant van het derde raam is te zien, hoe Johannes Christus doopt
Daaronder is het tafereel te zien, waaraan de kerk van Moergestel zijn naam ontleent, namelijk het verhaal van de onthoofding van Johannes. Toen Johannes predikend rondtrok was Herodes koning in het land. Omdat Herodes de vrouw van zijn broer Filippus tot vrouw had genomen, werd hij door Johannes berispt. Herodias, de vrouw van Filippus / Herodes was daarom kwaad op Johannes en wilde hem doden, maar zij kreeg daartoe geen kans, omdat Herodes toch ontzag had voor Johannes. Voor Herodias kwam echter een gunstige gelegenheid bij een feest dat Herodes gaf voor zijn hoogwaardigheidsbekleders en officieren.
Op dat feest trad Salome, de dochter van Herodias, op met een dans. Herodes wilde haar bedanken en zwoer met een eed, dat hij haar als dank alles wilde geven wat zij maar wilde. Opgestookt door haar moeder Herodias vroeg Salome toen om het hoofd van Johannes. Herodes schrok, maar hij kon niet meer terug. Hij liet Johannes onthoofden en het hoofd op een schaal aan Salome aanreiken. Dat moment is afgebeeld in het onderste deel van het derde raam. (Dit tafereel is ook te zien op het schilderij dat hangt in de zuidelijke dwarsbeuk).
Vierde raam: relatie met Moergestel.
Het vierde raam laat de relatie zien tussen Moergestel en zijn patroon, Johannes de Doper.
Boven in het raam zien we Christus als koning, met daarnaast Johannes de Doper, die de kerk van Moergestel in zijn armen draagt. In het onderste deel van het raam zien we de bevolking van Moergestel opkijken naar Christus en Johannes. We zien hierbij ook pastoor Janssen, burgemeester Bardoel, de toenmalige kapelaan Vissers, de overste van Stanislaus en nog enkele bekende en onbekende Moergestelnaren uit die tijd.
Financiering
Over de financiering van de ramen is slechts bekend wat pastoor Janssen in het Registrum Memoriale optekende: op 20 mei 1938 een schenking van 600 gulden voor de toekomstige ramen door Mej. Martina Reijnen, en op 16 juni 1939 een schenking van 100 gulden door de dames Maeijer. Ten aanzien van het vierde raam noteert hij: “De fa. van Gils (de heer Jan) stelde mij zondag 3 augustus 1941 de som van zevenhonderd en vijftig gulden ter hand, bestemd voor het vierde gebrandschilderde raam in het priesterkoor. God belone de milde gever. Toen wij van Hr Ninaber vernamen dat het raam 945 gulden zou kosten, werd het geld direct door de firma bijbetaald”.
Toon Ninaber van Eijben
Antonius Cornelis (Toon) Ninaber van Eijben werd geboren op 21 december 1896 te Scheveningen. Toen hij vijf jaar oud was wilde hij al schilder worden. Hij ging studeren aan de Kunstacademie van Den Haag en na afronding van zijn studie gaf hij enige tijd les aan een middelbare school. Hij ging vervolgens naar Parijs om zich daar verder te ontwikkelen in de schilderkunst. Hij woonde daarna jaren in Zuid- en Midden-Europa: Italië, Oostenrijk, Montenegro. Bij periodes werkte hij ook in Nederland, schilderde daar portretten en landschappen en schiep monumentaal werk.
In 1938 kwam hij vanwege de mobilisatie snel naar Nederland terug, trouwde daar in 1940 en ging eerst in Scheveningen wonen, later in De Bilt en Den Bosch. In 1944 verhuisde hij tenslotte met zijn vrouw en kinderen naar Boxtel, waar hij tot zijn dood bleef wonen. Hij kreeg zeven kinderen, van wie enigen door hun vader ook geïnspireerd werden voor een loopbaan in de wereld van de kunst.
Als schilder maakte Toon Ninaber van Eijben veel landschappen en portretten. Als etser schiep hij drogenaaldetsen, o.a. van het vogelleven in de duinen bij Scheveningen. Ook houtsneden vervaardigde hij: boekillustraties en affiches. Tenslotte voerde hij veel opdrachten uit voor kerken en kloosters, scholen, woningen, kantoorgebouwen, musea, een sanatorium en een universiteit: muurschilderingen, reliëfs, mozaïeken, glas-in-loodramen, smeedwerk, meubelontwerpen, emaillepanelen, etc.
Toon Ninaber van Eijben was zoon van een gereformeerde vader en een katholieke moeder. In het gezin werden de jongens gereformeerd en de meisjes katholiek opgevoed. Toen Toon 18 jaar was koos hij echter heel bewust en uit volle overtuiging voor het katholieke geloof. Dat geloof zat bij hem heel diep en dat was voor hem ook de aanleiding om uiteindelijk naar het katholieke zuiden te verhuizen. Door de speciale band die hij had met de katholieke kerk kreeg hij bijzondere aandacht voor religieuze kunst en glas-in-loodramen in het bijzonder. Als ambachtsman voerde hij zijn werken zelf uit en liet de uitvoering niet over aan een glasatelier. Elk stuk glas werd door hemzelf uitgezocht en de grisaille door hemzelf aangebracht.
Omdat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog niet lid werd van de Kulturkammer – het door de Duitse bezetter ingestelde lichaam, waarvan alle kunstenaars, ingedeeld in gilden, lid moesten zijn - kreeg hij echter geen officiële opdrachten. Maar in de familie gaat het verhaal, dat hij tijdens de oorlog de ramen voor onze kerk telkens in deeltjes in zijn fietstas naar Moergestel bracht.
Op 19 april 1977 is Antonius Ninaber van Eijben in Boxtel overleden.
TvE
Aflevering 7
Het kerkgebouw in de loop van de tijd
Medio 1932 kijken de Moergestelnaren trots naar hun grote en nieuwe kerk met haar moderne interieur. Niets blijft echter zoals het is, alles verandert. Ook het kerkgebouw en vooral het interieur stond onder invloed van de tijd.
Het Tweede Vaticaans Concilie, tussen 1962 en 1965 en de aanpassing van de liturgie hierna, zijn van grote invloed geweest. Na de tijd van het Rijke Roomse Leven kwam de tijd van secularisering en individualisering. De kerk geraakte ‘uit’.
Geleidelijk ontstond echter ook waardering voor elementen uit die periode en de drang om het goede te behouden. Velen waren met name blij dat in onze kerk de prachtige beelden niet waren opgeofferd, men kreeg er hernieuwde bewondering voor en de behoefte tot behoud ervan groeide.
In de artikelenreeks rond het 75-jarig bestaan van het kerkgebouw past een overzicht van de veranderingen hierin in de loop van de tijd. Deze veranderingen zijn vaak niet schriftelijk vastgelegd. De eerste, nog eenvoudige notulen, dateren pas van 1963; alleen grote onderhoudswerken vinden we hierin terug. Het juiste jaartal was daarom soms moeilijk vast te stellen. Dus moest wel eens een beroep worden gedaan op het collectieve geheugen van de oudere parochianen;
Het priesterkoor
De eerste aanpassing – meer een kwestie van onderhoud - dateert al uit de jaren vijftig. De tegels met de omranding van smalle tegelbanden op het priesterkoor werden vervangen, omdat veel tegelbanden los kwamen te liggen. Zij werden vervangen door de huidige zwarte leisteen.
In het verlengde van het Tweede Vaticaans Concilie werd onder meer bepaald dat het altaar dichter bij de gelovigen geplaatst moest worden, met de voorzijde er naar toe gewend. Het altaar met een nieuw onderstel, maar met de bestaande altaarsteen, kwam omgekeerd en dichter naar het middenschip. De oorspronkelijke houten altaarverhoging van drie treden werd gesloopt en de vloer betegeld.
Tegen de achtermuur van de absis stond het z.g. sacramentsaltaar met een tabernakel waarin Ons Heer werd bewaard. Dit verdween naar het rechts gelegen, inmiddels voormalige, St. Jozefaltaar; St. Jozef ging naar achteren in de kerk.
In de absis was hiermede een grote vrije ruimte ontstaan, waar later het koor kon plaatsnemen, nadat er een terrasvormige verhoging met zitbankjes was gemaakt. Dit ging niet zonder slag of stoot. Nogal wat koorleden hadden er de grootste moeite mee, vooral die met een lange staat van dienst. Om deze verplaatsing te completeren plaatste men een nieuw elektronisch orgel. Het bestaande ‘fiepding’ van het jongerenkoor werd afgedankt.
De gelovigen gingen de communie in de hand ontvangen, als zij dat wensten bleef ook de communie-uitreiking rechtstreeks op de tong mogelijk. Hiermede werden de communiebanken tussen de beide pilaren overbodig. Zij werden gesloopt. De onderste van de drie treden van het priesterkoor werden aanzienlijk verbreed en betegeld. Hiervoor werd aan het bovenblad van de communiebanken een nuttige bestemming gegeven. Het duidelijke kleurverschil getuigt hier nog van.
Pas vier jaar na de bouw van de nieuwe kerk werd de preekstoel geplaatst aan de pilaar aan de linkerzijde van het hoofdaltaar. Korte tijd bleef de losse, staande preekstoel uit de beginjaren nog gehandhaafd. Deze werd bijvoorbeeld nog gebruikt in de Missiedagen, waarin twee kapucijnen of redemptoristen als duo het woord voerden.
In de jaren zeventig, verdween de preekstoel – de panelen kwamen jaren later tegen de balustrade van het koor te hangen. Gods woord werd voortaan verkondigd vanaf een los spreekgestoelte.
Anderen zeggen dat het in 1953 naar buiten werd verplaatst om het grote mozaïek achter in de kerk te kunnen aanbrengen - het glas in loodraampje dat daar zat moest verdwijnen. Aan de overkant van de Mariakapel, in de gedachteniskapel, is de evenknie van dit raam te zien. Het raam op de plaats waar het mozaïek moest komen werd aan de binnenzijde dichtgemetseld, zo dat aan de buitenzijde een nis ontstond, waarin een beeld geplaatst kon worden.
Ook wordt nadrukkelijk beweerd dat de mensen een H. Hartbeeld in de buitenlucht terug wilden. Het grote H. Hartbeeld aan het Rootven was in de ‘kleine beeldenstorm’ van de jaren zestig weggenomen en opgeslagen in de pastorie. Pastoor M?skens liet het later vernietigen. Dit beeld werd door de mensen gemist.
De oorspronkelijke plaats op het priesterkoor waar het kleine H. Hartbeeld stond is nog duidelijk te herkennen, want het uitstekende stenen onderstuk werd afgezaagd.
De biechtstoelen
De biechtstoelen, rechts die van de kapelaan, links die van de pastoor, zijn na het Tweede Vaticaans Concilie snel in onbruik geraakt. Het ‘minstens eenmaal per jaar biechten ….’ werd vervangen door de gemeenschappelijke biecht. De individuele biecht werd als mogelijkheid aangegeven, maar was verre van populair. De twee biechtstoelen met hun zware, donkerrode pluche gordijnen bleven nog vele jaren in tact, al werden ze niet meer gebruikt. Het uiterlijk van de biechtstoelen blijkt voor een deel uit onze collectieve herinnering te zijn verdwenen. Deze beschrijving lijkt het meest waarschijnlijk: oorspronkelijk ging de priester zijn biechtstoel binnen door een half deurtje met daarboven twee halve, zware, rode gordijnen. De toegang voor de parochianen bestond alleen twee halve identieke gordijnen, zonder deurtje.
Het is niet duidelijk wanneer de huidige deurtjes zijn geplaatst en waarom.
De doopvont
De oorspronkelijke doopvont stond links achter in de kerk in de doopkapel. Hij was al in de oude kerk aanwezig en bleef tot 1959 in gebruik. De nieuwe doopvont, ‘de Stad’ genaamd, werd vóór in de kerk geplaatst. De doopkapel werd gedachteniskapel genoemd, omdat er de gedachteniskruisjes van de overledenen kwamen te hangen..
De kroonluchters
Oorspronkelijk bezat de kerk vier zesarmige luchters. Die welke in de zijbeuken hingen zijn verdwenen. Zij bestaan nog levendig in de herinnering van de koster die in de jaren vijftig de vier kroonluchters drapeerde met grote kerstkransen met rode linten en dikke kaarsen als onderdeel van de kerstversiering - een ‘heidens’ karwei.
De beide resterende kroonluchters in het middenschip waren in oude tijden zwart.
Toen men besloot ze op te knappen bleek dat het geen laagje vuil of een oxidelaagje was, maar dat ze zwart waren geverfd. Na reiniging kwamen er twee prachtige koperen luchters te voorschijn. Het vermoeden bestaat dat ze zwart waren geverfd om ze te beschermen tegen de op koper beluste Duitse bezetter, die immers ook al de klokken had geroofd!
.
De godslamp
Oorspronkelijk hing er op het priesterkoor een torenvormige godslamp, die met olie moest worden gevuld. Rond 1950 werd de huidige, schaalvormige godslamp geplaatst, die vaste brandstof verbruikt.
Het Angelusklokje
Het angelusklokje, de eigenlijke naam is doopklokje - op de kerk - werd vele jaren om twaalf uur geluid door middel van een luizeel, dat midden op het priesterkoor uitkwam. Lang heeft men hiervan af moeten zien, omdat het klokkentorentje niet meer geheel veilig was. Na de reparatie hiervan bij de grote restauratie in1980 werd het klokje opnieuw in gebruik genomen. Vele jaren kon het vervolgens niet gebruikt worden omdat het inmiddels elektrische luidsysteem het lange tijd af liet weten.
De banken
In de nieuwe kerk werden nieuwe banken geplaatst. Her en der werden nog de oude zitstoeltjes en klapstoeltjes geplaatst. Deze vormden met name de laatste rijen achter in de kerk. Ze stonden ook vooraan in de zijbeuken naast de pilaren bij de biechtstoelen. Ervoor stonden nog enkele rijen z.g. gem??n benkskes, waar de jeugd trachtte het einde van de dienst te halen. Waarschijnlijk rond 1973 werden nagenoeg alle zit- en klapstoelen verwijderd. Ze vormden een geweldige storingsbron door het lawaai dat ontstond als de mensen gingen knielen of zitten. De gem??n benkskes waren toen al weggenomen. In de zijbeuken werd de eerste twee rijen banken weggenomen, waardoor het looppad breder werd. Een aantal banken wordt in de dagkapel gebruikt.
De hoofdingang/portaal
Bij de grote torenrestauratie in 1980 werd het raam in de boogvormige toegang verwijderd. De naar buiten draaiende deuren werden vervangen en werden naar binnen draaiend, zoals nu nog te zien is. Een onbegrijpelijke beslissing van de externe specialisten, omdat de huidige wetgeving om veiligheidsredenen naar buiten draaiende deuren eist. Een snellere uitstroom van het kerkvolk is hiermee gediend.
In het plafond werd een stalen balk geplaatst om het orgel te dragen. Ook werd op esthetische gronden een grijs, vlak plafond in het portaal noodzakelijk geacht.
Dit plafond is er later ‘uit gevallen’. Het gezond verstand zegevierde.
Het orgel
In 1961 werd het huidige elektronische orgel aangeschaft. De prijs hiervoor was wel dat het mooie Ceciliaraam vanuit de kerk niet meer zichtbaar was. In een apart artikel zal aandacht worden besteed aan het orgel.
De verwarming
In de jaren zeventig werd de kolengestookte verwarmingsketel vervangen door een oliegestookte. De kerk was op steenkool onvoldoende te verwarmen. In 1963 was gebleken, dat de temperatuur maar op 6 graden gebracht kon worden; kosten 35 gulden per dag!
In 2003 vond een roetexplosie in de ketel plaats die de gehele kerk met roet besmeurde. Het bleek noodzakelijk het gehele interieur inclusief alle binnenmuren te reinigen. Het metselwerk, dat ook in de tijd geleidelijk vervuild was, kwam weer prachtig naar voren. De verwarmingsinstallatie werd vervangen door een hoogrendement gasinstallatie. Het heteluchtsysteem bleef gehandhaafd.
Voor de sacristie werd een apart c.v.keteltje geplaatst.
Het kerkdak
In 1994 werd besloten tot herstel van het kerkdak in een meerjarig project. Geleidelijk werden de leien op de grote dakvlakken aan de noord- en zuidzijde vernieuwd. De nog goede leien hiervan werden bewaard. Hiermede lukte het in de loop der jaren ook de andere daken in orde te maken. Daar waar nodig werd het dakbeschot vernieuwd, nieuwe goten en nieuwe roestvrije ladderhaken geplaatst en andere zwakke punten aangepast. Het bleek een zeer kostbaar project dat zeer recent werd voltooid.
De dagkapel
De noodzaak, die ontstond om de kerk overdag om veiligheidsredenen te sluiten, groeide, terwijl anderzijds de mogelijkheid moest worden geboden de mensen een moment van stilte, bezinning en gebed te bieden. Als een van de argumenten voor de bouw van een kapel zegt het bestuur: ‘om in te spelen op de constatering dat de H. Missen voor veel mensen te lang duren. Aan een kort bezoek aan een devotieplaats zou wel behoefte zijn. Misschien zouden de missen op dinsdag en donderdagavond, die slecht bezocht worden, wel kunnen vervallen.’
Was aanvankelijk de locatie van de kapel een moeilijk punt, het slopen van de biechtstoel van de pastoor en het afschermen van de ontstane nis bood echter een ideale plek. Deze kon gemakkelijk worden afgesloten van de kerk, terwijl die door een glazen afscheiding toch zichtbaar bleef. Het plan kreeg zijn beslag in 1997. Adry Hoeven maakte het Mariabeeld en de ramen zijn van Jan Dijker.
Diversen
- Het missiekruis, waartoe de gelovigen zich na de Eucharistieviering omdraaiden voor een kort gebed voor de Missie, rechts achter in de kerk, werd weggenomen en bewaard. Het hangt nu, na reparatie, in de gedachteniskapel.
- In 1995 werden alle oorspronkelijke lichtarmaturen, die versleten bleken, vernieuwd.
- De voor bijzondere plechtigheden gebruikte rode loper werd vervangen en van een rolmechanisme voorzien, wat zeer arbeidsbesparend bleek.
- In 2002 werd de kerk officieel opgenomen op de Rijksmonumentenlijst
- In 2002 is tegen de zuidzijde van de kerk een gedachteniskruis geplaatst. Het herinnert aan de plek van het oude kerkhof op deze plaats.
- Met name de afgelopen jaren werden verschillende kunstwerken gerestaureerd en daarmee in hun oude glorie hersteld: het schilderij van St. Joris, het schilderij van Margaretha á la Coque en alle kruiswegstaties (2002).
- Eveneens in 2002 werd de gehele elektrische bedrading van de kerk vernieuwd, inclusief de schakelpanelen
- In 2003 werden de oude toegangsdeuren van de zijbeuken en de sacristie vernieuwd. De oude scharnieren en het beslag konden na behandeling opnieuw gebruikt worden.
- In 2003 werd op het plaveisel voor de kerk een mozaïek van straatstenen gelegd: het hoofd van St. Jan op een schaal.
- In 2006 werd de kerk voorzien van noodverlichting en z.g. ‘uit’armaturen en werd de gebruiksvergunning verleend.
Tot besluit
Sprekend over veranderingen in de afgelopen 75 jaar blijken de oudere parochianen een zeer levendige herinnering te hebben aan de liturgie en de rituelen uit hun jeugd. In dit artikel beperken we ons tot het kerkgebouw; in een apart artikel zullen we aandacht schenken aan die elementen uit het Rijke Roomse Leven, die de geloofsbeleving in die tijd zo sterk beïnvloed hebben.
Van verschillende van de bovengenoemde interieurwijzigingen kunt u details vinden in “Rondgang door de kerk van St. Jans Onthoofding te Moergestel” door Ton van Elsdingen en Jaap Drubbel.
Mocht u, uit uw geheugen puttend, bij kunnen dragen aan verbetering of aanvulling van dit artikel, schroom dan niet om contact op te nemen met Ad Wolfs tel. 5132309.
AW
Aflevering 6
Inzegening, eerste steen en inwijdingskruisjes
In de voorafgaande artikelen in deze reeks publicaties over de afbraak van de oude kerk en de bouw van de nieuwe kerk, die nu 75 jaar oud is, hebt u kunnen lezen over alles wat aan de bouw van de nieuwe kerk voorafging. Bij de bouw van een nieuw gebouw wordt vaak een z.g “eerste steen” gelegd. Wanneer dat gebouw een kerk is, wordt het gebouw na voltooiing dan ook nog geconsecreerd (ingewijd) door de bisschop van het betreffende diocees. Dit artikel verhaalt hoe e.e.a. met betrekking tot onze kerk in zijn werk ging.
Eerste steen
Met een gevoel van trots moet pastoor Janssen die ochtend van de 31e juli 1931 toch zijn opgestaan. Het was die dag zover. Veel zorgen waren aan die ochtend
Alles was terdege voorbereid voor dit moment. De “eerste steen” was voorzien van een inscriptie, en er was een oorkonde gemaakt, die na ondertekening in een loden koker zou worden geplaatst. Die koker zou daarna achter de eerste steen in de muur worden ingemetseld. Op de foto zien we het moment waarop pastoor Janssen de oorkonde ondertekent en op de voorgrond zien we de loden koker. Met veel voldoening zal pastoor Janssen daarna de troffel met specie hebben bediend, waarmee de eerste steen vervolgens werd ingemetseld.
Wanneer we door de kerk naar voren lopen, zien we, op de kruising van schip en transept, onder in de linkerhoekpilaar van het priesterkoor die eerste steen zitten. Op de steen zien we staan: “Me posuit Jos. Janssen PAR + 31 Julii 1931” (Ik werd geplaatst door pastoor (parochus) Janssen op 31 juli 1931).
Inwijding
De bouw van de kerk verliep daarna zeer voorspoedig. Reeds op 30 mei van het volgende jaar (30 mei 1932) kwam Mgr. Diepen, de bisschop van het diocees ’s-Hertogenbosch, de kerk consecreren.
Het gebruikelijke ritueel van een kerkwijding begint, wanneer de bisschop in vol ornaat met zijn staf driemaal op de kerkdeuren slaat. Hij bidt daarbij vers 7 t/m 10 van psalm 24:
“Heft uw hoofden omhoog, jullie poorten, aloude poorten omhoog. Dat de koning der glorie zijn intrede kan doen. Wie is die Koning der glorie? De Heer, de Machtige, de Held, deHeld in de strijd. Heft uw hoofden omhoog, jullie poorten, aloude poorten. Dat de koning der glorie zijn intrede kan doen. Wie is die Koning der glorie? De Heer van de machten, Hij is de Koning der glorie!” De bisschop zalft de deuren dan met chrisma en bidt: “Poort, wees gezegend, geheiligd, gewijd en bezegeld en aan God toebehorend. Deur, wees de ingang tot heil en vrede. Zo wordt zij tot symbool voor Jezus Christus, die van zichzelf zegt: “Ik ben de deur. Wie door Mij binnengaat, zal het heil bekomen” (Joh., 10,9)”.
Dan treedt de bisschop naar binnen, gaat driemaal in de kerk rond, besproeit deze met wijwater en bidt: “Was van mij af mijn schuld en reinig mij van al mijn zonden”.
Daarna zalft hij met daartoe gewijde olie de muren van de kerk op twaalf, door een kruisje aangeduide plaatsen. In processie worden vervolgens de relikwieën naar het altaar gebracht en vindt de altaarwijding plaats.
Inwijdingskruisjes
De twaalf plaatsen waar de bisschop de muren zalft, worden aangegeven met aldaar in de muren aangebrachte kruisjes. Dat zijn stenen tegels, waarop telkens de naam van een van de twaalf apostelen is aangebracht.
In plaats van Judas Iskariot, door wie Jezus verraden werd, wordt dan meestal de apostel vermeld, die na Jezus’ dood als nieuwe apostel werd gekozen. In hoofdstuk 1, vers 15 t/m 26 van de Handelingen van de apostelen is te lezen hoe deze verkiezing plaatsvond: “ ……Men stelde er nu twee voor: Jozef, ook Barnabbas geheten en bijgenaamd Justus, en Mattias. En men bad aldus: “Heer, wijst Gij, die de gezindheid van allen kent, één van deze twee aan om de plaats in te nemen in dit dienstwerk en apostelambt, dat Judas verliet om heen te gaan naar zijn bestemming”. Men wierp nu het lot over hen en het lot viel op Mattias. Hij werd nu gerekend bij de groep van de elf apostelen”. Die elf (andere) apostelen waren: Petrus. Johannes, Jacobus, Andreas, Filippus, Tomas, Bartolomeüs. Matteüs, Jacobus (de Mindere, zoon van Alpheüs), Simon en Judas (broer van Jacobus, ook wel Taddeüs genoemd).
Curieus
Het curieuze in de kerk van Moergestel is nu, dat van elk van deze apostelen een kruisje in de kerk aanwezig is (inclusief de nieuw gekozen Mattias), behalve van Matteüs. De reden hiervan kan zijn, dat men verwarring met Mattias wilde voorkomen, maar meer waarschijnlijk is een andere reden: op het twaalfde kruisje in de Moergestelse kerk staat namelijk de naam van Paulus, de grote christenvervolger in de eerste dagen van het vroege christendom, die na zijn dramatische bekering op de weg naar Damascus de vurigste ijveraar werd van de nieuwe godsdienst.
Paulus kunnen we zien als de man die het christendom heeft geïnstitutionaliseerd. Jezus was een hartstochtelijke en kritische Jood, die zijn volgelingen voorging in een strenger en zuiverder judaïsme (het streven van tot het christendom bekeerde joden, dat ook de bepalingen van de joodse wet moesten worden onderhouden). Hij bleef daarbij echter binnen de Joodse gebieden en hij had ook niet de bedoeling een nieuwe godsdienst te stichten. Paulus echter benadrukte de Messiasrol van Jezus, verkondigde zijn heiligheid, gaf vorm aan de ideeën van Jezus en stichtte op deze wijze een nieuwe godsdienst. Hij maakte reizen ver buiten de Joodse gebieden en bekeerde overal mensen, Joden en niet-Joden. Hij schreef brieven die bepalend zijn voor onze visie op Jezus en zijn leer. Zo ontwikkelde hij zich met de leer van Jezus tot stichter van de Kerk. Waarschijnlijk is, dat men dat heeft willen eren door zijn naam te vermelden op het twaalfde kruisje.
Petrus, als rotssteen en eerste paus, staat op het kruisje in de absis op de kop van de kerk. Linksaf rondgaand zien we dan eerst Paulus op de muur grenzend aan de sacristie, dan Andreas op de noordwand van het linker transept. Johannes en zijn broer Jacobus zijn vermeld op de noordwand van het schip, Tomas bij de gedachteniskapel. Jacobus (de Mindere) en Filippus zien we tegen de torenwand, Mattias en Bartolomeus tegen de zuidwand van het schip, Simon op de zuidwand van het rechter transept en tenslotte Taddeüs in het rechter transept op de zuidoostelijke wand.
TvE
Aflevering 5
De bouw en de inrichting van de nieuwe kerk
Bij de meeste, wat grotere bouwprojecten, gaat wel wat mis, waardoor uitstel van de oplevering ontstaat. Het kost niet veel moeite om er een aantal te noemen die tot op de dag van vandaag opdrachtgever en aannemer kopzorgen gaven, frictie veroorzaakten en vertragend werkten.
Niets van dit alles in dit project. Alles liep voorspoedig – 18 maart 1931: aanbesteding, april 1931: begin van sloop en aansluitend start van de bouw, 31 juli 1931: eerste steenlegging en zegening van de fundamenten, 30 mei 1932 inzegening.
Pastoor Janssen ging op in zijn rol als bouwpastoor. Hij noteerde alles wat hem belangrijk toescheen en hield ook de bisschop goed op de hoogte. In de bouwperiode maakte hij geen melding van problemen – wel enige tijd na de bouw.
Problemen met het dak
In de aanneemsom van aannemer de Vries was het leiendak niet inbegrepen. Dat was voor fl. 7300 gegund aan de firma Bram in Tilburg In 1943 bleek dat het dakbeschot vernieuwd moest worden en dat de leien in slechte staat waren. Het is niet onwaarschijnlijk dat de slechte, niet sluitende en kapotte leien de oorzaak zijn geweest van een rottend dakbeschot. Even was de pastoor in paniek. Waar heb je dan een opzichter voor, vroeg hij zich af. Het bisschoppelijk bouwbureau werd ingeschakeld, maar er werd niemand aansprakelijk gesteld. Bij de schuldvraag is niet lang stil gestaan, het moest snel opgelost worden, want er waren ernstige lekkages.
De pastoor zat met een dubbel probleem. Waar moest hij de fl. 15.000 vandaan halen die de reparatie kostte en waar zou hij het materiaal vandaan moeten halen in deze oorlogsjaren.
Van het bisdom kon hij fl. 10.000 lenen en de rest zou van de parochianen moeten komen. Het plaatsen van een bus achter in de kerk op twee belangrijke feestdagen leverde veel op. Deze opbrengst aangevuld met persoonlijke giften liep snel op tot 2300 gulden. Fabrikant van Bommel completeerde pardoes het voor de reparatie benodigde bedrag door fl. 2000 te schenken. De pastoor was enthousiast over de gulheid van de mensen als het om hun kerk ging.
Zijn tweede probleem werd ook door een fabrikant opgelost. In de oorlogsjaren was hout schaars en werd door de bezetter niet voor particuliere bouwprojecten ter beschikking gesteld; het moest de oorlogsindustrie dienen. De kerk kreeg geen toewijzing. Parochiaan Janssen van Mariahoeve bracht uitkomst. Via zijn textielbedrijf kon hij aan hout komen en aan de kerk toespelen. Van andere mankementen kort na de bouw is geen melding gemaakt.
Dat het project op zich vlekkeloos verliep zien we bevestigd in de woorden van de pastoor aan de bisschop gericht: Ja, ik geloof dat nog nooit onder Uw bestuur is gebouwd een kerk, waarmede U zo weinig werd lastig gevallen’. Hierbij moet wel aangetekend worden dat deze woorden werden uitgesproken tijdens het diner na de inzegening door een zeer ontspannen, opgeluchte pastoor die zojuist zelfs de opbrengst van de bankverpachting geweldig had zien meevallen.
De laatste stap was de inrichting. De pastoor was er klaar voor, hij had natuurlijk al uitgewerkte ideeën en had al veel werk verricht. Zo meldde hij triomfantelijk dat hij de kachels uit de kerk had weten te weren en een centrale verwarming had besteld, tegen de instructies in. Ook was hij al geruime tijd bezig met het zoeken naar mooie beelden voor zijn kerk – en met succes.
De inrichting
Noot: Een uitvoerige beschrijving van het interieur van onze kerk vindt u in het boekje ‘Rondgang door de kerk van St. Jans Onthoofding te Moergestel’ van Ton van Elsdingen en Jaap Drubbel.
Natuurlijk werd bezien wat van het interieur van de oude kerk nog bruikbaar was. Daar hoorde in ieder geval de preekstoel niet bij! De pastoor bestelde een nieuwe bij Pels in Eindhoven, het klankbord was naar een ontwerp van Prof. Mulders S.J. Ook in de Odulphuskerk in Best en de parochiekerk in Leende vinden we preekstoelen van Pels terug met soortgelijke reliëfs. De preekstoel werd pas in 1940 geplaatst. Kennelijk was het ontwerp niet ieders keus, gezien de woorden van de pastoor: ‘De preekstoel gaat onmiddellijk de kerk uit wanneer Kapelaan (naam doorgestreept) pastoor wordt in Moergestel. Door Ninaber is dezen preekstoel geplaatst. Schilders, die in mijn kerk zaten te schilderen, zeiden me: ‘Wat heeft U een passende preekstoel’; of het waar is weet ik niet’.
Het hoogaltaar
Mgr. Diepen was akkoord gegaan met een nieuw hoogaltaar, maar het moest dan wel gemaakt worden door Hermans ….., zijn neef. Diens ontwerp werd echter unaniem door het bestuur afgekeurd. Wat nu? Gelukkig werd Hermans ziek en de pastoor zag zijn kans schoon. ‘Nu gaat het erop los!...’ schreef hij zelf. ‘Hoogaltaar, zijaltaren, communiebank, banken, stoelen, beelden. Alles aangeschaft zonder voor elk artikel naar ’s-Hertogenbosch te schrijven.’ Hermans heeft zich nadien nog ernstig beklaagd bij zowel de pastoor als de bisschop, maar het pleit was al beslecht.
De banken
Ook de banken werden nieuw aangeschaft. Een deel van de klapstoeltjes uit de oude kerk werd ook nog gebruikt. Zoals bovenstaande foto laat zien kwam er een flink aantal o.a. vóór in de kerk te staan.
Een tijdje zijn ook de zitbankjes, ook wel ‘de geméén benkskes’ op de vlonder voor de biechtstoelen geplaatst. De jeugd, die hiervan overwegend gebruikt maakte, heeft zich nog jaren de ergernis van de volwassen kerkgangers op de hals kunnen halen, tot de bankjes in de jaren zestig weer verdwenen.
De ramen
De kerk werd ‘kaal’ opgeleverd. Mooie glas in loodramen zijn erg sfeerbepalend voor een kerk. Het zou echter een kwestie van een lange adem zijn, om zelfs de ramen op het priesterkoor te vervangen. De parochianen hadden kennelijk even tijd nodig om opnieuw in hun buidel te tasten, nu voor verfraaiing van hun kerk.
In het priesterkoor waren zeven even grote ramen gepland. In overleg met Weber werd besloten het middenraam een derde breder te maken. Deze plannen zijn later weer gewijzigd. Vier grote ramen volstonden. Spoedig stroomden de giften binnen voor de nieuwe gebrandschilderde ramen. Toch duurde het wel 10 jaar voor ze alle vier in gebrandschilderd glas waren uitgevoerd.
Pas in 1938 vervaardigde Ninaber van Eyben, uit Boxtel, de eerste grote gebrandschilderde ramen voor het priesterkoor, voorstellende het leven van St. Johannes de Doper en het volk van Moergestel opziend naar Christus. Johannes de Doper draagt de kerk van Moergestel.
In augustus 1941 plaatste hij het vierde en laatste raam, een gift van de Firma van Gils. Het kostte fl.940.
Eveneens in 1941 werd de rozet boven het (voormalige) St. Jozefaltaar geplaatst voor fl. 100 uit giften van Toon Vriens, Burgemeester Bardoel, Mevr Bardoel, Jan van Casteren en de pastoor zelf.
In 1941 werden door Ninaber ook de ramen geplaatst in het transept t.w. Carolus Borromeus, een geschenk van Carol Schade, en Jeanne d’Arc, een gift van zijn vrouw Jeanne Schade-van Kempen, bij gelegenheid van de geboorte van haar eerste kind.
De overige ramen zijn van na 1954.
De beelden
De meeste beelden van de oude kerk, met name die van gips, werden door de kunstminnende pastoor op voorhand uitgesloten voor dienst in de nieuwe kerk. Hij zei er later schamper over: ‘Gipsen beelden, waarvan mijn kerk vol stond, gipsen van ongeveer f. 50, - per stuk, hoofdzakelijk geleverd door Dunkok uit Vught, zijn verdwenen. Ze staan gratis in Africa en voor een appel en een ei heb ik er een pastoor uit Limburg een plezier mee gedaan’. Dit blijkt de pastoor van Milsbeek te zijn, die ze voor fl. 49 mocht hebben.
Steeds was hij op zoek naar mooie beelden. Zijn uitspraak was: ‘Zie, wat de beelden betreft, informeer en zoek met geduld.’
Van Antiquair Heijnen in Vught was hij een goede klant. Hier kocht hij eens een zestal oude beelden die er verschrikkelijk uitzagen. Toen ze in de wintertuin waren uitgeladen liet de pastoor ze aan de kerkmeesters zien. ‘Die zegden stil, maar ik hoorde het wel: “nu heeft de Pastoor er toch wel nevengekocht. Nu die beelden zagen er allesbehalve mooi uit – vol vuile verf, opengesprongen enz. Ik liet Cerfontain (Noot AW: pastoor Janssen bedoelt hier de kunstenaar-restaurateur Cerfontaine in Deurne) uit Deurne komen. “Wat zegt ge van het boeltje, kun je het in orde brengen?” Hij zei: “U hebt die beelden voor niets – voor f. 40 per stuk maak ik ze in orde.” Ze kosten dus f. 90 per beeld en ze horen precies in mijn kerk. Maar wie weet hoelang? Ja hoelang? Mijn opvolger kan ze misschien spoedig verwijderen.’ Ditmaal had hij ongelijk; al zijn beelden overleefden de woelige zestiger jaren, die wel eens ‘de kleine beeldenstorm’ worden genoemd.
Kennelijk stond de pastoor alleen in zijn streven echte kunstwerken in zijn kerk te plaatsen,Zijn verzameling was geleidelijk tot stand gekomen. Zijn knecht Willem Schoonis vond een oud kruisbeeld op de zolder van het tuinhuis. Na restauratie bleek het prachtig te zijn en het ging dienst doen als missiekruis.
Het oude Rochusbeeld blijkt een vondst uit de orgelkast. Zijn ijver ging ook wel eens wat ver. Hij had inmiddels twee St Jozefbeelden, maar kwam een Isidorusbeeld tekort, toch ook en belangrijke heilige, deze patroon van de boeren.
De pastoor wist hier raad op. ‘Van de Joseph op het altaar heb ik St. Isidorus gemaakt; een ploegske erbij gezet, het boek moet weg, in zijn hand behoort een spade.’ De spade is er niet gekomen, want het boek kon niet weggenomen worden. Moergestel heeft nu een unieke boerenheilige met een boek.
Verder liet hij het zeer oude beeldje van St Ermelindis dat dateert uit de vijftiende eeuw restaureren. Vermoedelijk heeft Johanna Gosuin van de Wouw dit in 1860 aan de kerk geschonken.
Het oude schilderij van St. Joris werd gerestaureerd; het bleek van een oude meester – Adriaen de Lelie – te zijn.
Burgemeester Mayer schonk de H. Theresia met het kind, als dank voor de geslaagde maagoperatie van zijn moeder. Zó is de pastoor op de meest uiteenlopende wijzen aan zijn kunstschatten gekomen.
Uit de oude kerk
Vanzelfsprekend werden de kruiswegstaties in de nieuwe kerk gehangen, evenals de kroonluchters en vele andere attributen.
Ook mocht natuurlijk het orgel in de toren blijven. Aan de geschiedenis van het orgel zal een apart artikel worden gewijd.
Pastoor Janssen en zijn kerkbestuur konden in 1932 tevreden terugzien op hun bouwactiviteiten. Dank zij de pastoor kan de parochie nu bogen op een opmerkelijk, soms eeuwenoud, kunstbezit. Dit dank zij zijn oog voor schoonheid van kerkelijke kunst..Hij volgde zijn ideaal, ook al ondervond hij hierbij af en toe weerstand. Wij mogen hem dankbaar zijn.
AW
Aflevering 4
Verplaatsing van het kerkhof, bouw van de noodkerk en sloop van de oude kerk
Inleiding
De bouw van een nieuwe kerk is een groot project, zeker als dat gepaard gaat met de ruiming van de graven op het kerkhof en de sloop van de oude kerk om de bouwplaats vrij te maken, terwijl de diensten door moeten gaan. Zoals we zagen liep financieel alles van een leien dakje, en organisatorisch zal het een zeer geslaagd bouwproject worden. De kerk was op het geplande tijdstip klaar!
Het kerkhof
Een logische eerste stap in de totaalaanpak is de verplaatsing van het kerkhof. Pastoor Janssen bofte dat hij niet helemaal opnieuw moest beginnen met het zoeken van een nieuwe locatie; de nieuwe begraafplaats lag al klaar. Het probleem van het kerkhof speelde al zeer lange tijd; pastoor Janssen – hij begon in 1921 aan zijn pastoraat in Moergestel – kon in 1925 al voor de oplossing zorgen door nieuwe grond hiervoor aan te kopen.
De geschiedenis van het kerkhof is een verhaal op zich en het is interessant dat in dit verband te vertellen.
De begraafplaats rond het kerkgebouw was niet uitzonderlijk, integendeel, oorspronkelijk lagen alle katholieke begraafplaatsen in en rond de kerk. Het woord ‘kerkhof’ getuigt hiervan.
Het kerkhof is in onze parochie in de loop van 100 jaar vaker onderwerp van gesprek geweest.
Al in 1810 krijgt de gemeente de vraag van de Sous-prefect, we leven dan in de Franse tijd, hoever de begraafplaats van de huizen ligt en hij geeft vervolgens aan dat eventueel een andere plek moet worden gekozen die ‘niet schadelijk is aan de lucht’. Deze vraag leidde niet tot enige actie, noch bij het gemeentebestuur noch in de parochie. Het gemeentebestuur zat nog met de naweeën van de oorlogslasten van Napoleon, en de parochie had iets anders aan het hoofd, namelijk proberen de parochiekerk terug te krijgen van de protestanten en uit de schuurkerk weg te geraken.
In 1827 constateert het gemeentebestuur, na de nieuwste instructies uit Den Haag om een nieuwe begraafplaats te creëren, dat er geen geld voor is en verzoekt om uitstel. Dit is te wijten aan de grote achterstallige schulden door de oorlog, de aanschaf van een brandspuit en de bouw van een brandhuisje. Men berekent dat het kerkhof met 20 lijken per jaar nog 18 jaar vooruit kan. De gemeente kan het echt niet betalen, maar het verzoek om uitstel met drie jaar wordt afgewezen. Zelfs een verzoek om uitstel van een jaar aan de Koning vindt geen gehoor. Dan koopt de gemeente tenslotte een stukje grond voor 135 gulden voor een nieuwe openbare begraafplaats; men kan er door geldgebrek geen hek of haag omheen zetten, terwijl dat toch wettelijk verplicht is! Er wordt geen tarief vastgesteld, ‘want er is geen grafdelver nodig omdat de buren dat zelf meestal doen’.
Ook van deze plannen wordt nooit meer iets gehoord en de begrafenissen op het kerkhof aan de kerk gaan gewoon door. Het is niet bekend of de pastoor, Hieronymus Pessers, hierover contact heeft gehad met zijn abt. De parochiegeestelijken werd toen nog aangesteld door de abdij van Tongerlo.
Men mag aannemen dat deze wet een van de eerste stappen was in een reeks om de hygiënische omstandigheden te verbeteren en epidemische ziekten te bestrijden, waar steden en dorpen door geplaagd werden. Maatregelen met dit doel hadden in dat tijdvak hoge prioriteit bij het landsbestuur. Voorschriften uitvaardigen in een koninkrijk-in-opbouw na de woelige Franse tijd – die gemeente en burgers berooid achter laat - is echter eenvoudiger dan te zorgen dat die worden uitgevoerd.
In 1845 wordt het kerkhof echt te klein; nu blijken de bovengenoemde berekeningen van 1827 correct te zijn geweest. De uitbreiding wordt verkregen door de basisschool te slopen – dat was toch een bouwval – en de vrijkomende speelplaats weer bij het kerkhof te voegen. Dit had tevens het voordeel dat kerkgangers weer door de hoofdingang de kerk binnen konden. De voetpaadjes, die dwars over het kerkhof liepen, werden er omheen gelegd en een grote beukenhaag erom heen completeerde het geheel. Afgezien van de lage muurtjes met een ijzeren hek, dat in 1880 de beuken heg verving, is het aanzicht daarna niet meer gewijzigd.
In 1871 wordt het kerkhof opnieuw onderwerp van gesprek. In dat jaar worden gemeenten verplicht een openbare begraafplaats te hebben. Op tijdelijke basis mag eerst een stukje van het bestaande R.K. kerkhof worden afgescheiden. Dit stukje openbare begraafplaats werd dus een onderdeel van het bestaande kerkhof. Veel gebruik is er niet van gemaakt. Met name werden hier enkele leden van de familie Vorsterman-van Ooijen en Witlox (Mariahoeve) begraven.
In datzelfde jaar al wordt een geheel nieuwe openbare begraafplaats aangelegd in een gerooid stukje mastbos aan de Molenstraat. Hiervan zijn de restanten nog zichtbaar in het bosje tegenover camping ‘De Bosfazant’.
Wanneer pastoor Janssen in 1925, omdat het oude kerkhof opnieuw te klein wordt, van de bisschop toestemming krijgt een nieuwe begraafplaats te maken, neemt hij hiervoor een stukje fruittuin van de pastorie – de huidige begraafplaats aan de Bosstraat. In 1926 wordt het ingericht door beplanting en het zaaien van gras. Uit overlevering is bekend dat Simon van Lommel – jawel Simon van Simonne p?dje! - als eerste op het nieuwe kerkhof ter aarde werd gesteld. Simon overleed op 20 januari 1928. De nieuwe begraafplaats is dus niet direct in 1926 in gebruik genomen.
Op 11 januari 1931 kan de pastoor van de preekstoel tenslotte de verplaatsing afkondigen.
Hij vraagt om medewerking van de beminde gelovigen en verzoekt geen bezwaar te maken. Hij houdt zijn hart vast, want bezwaar betekent uitstel en moeilijke en langdurige bezwaarprocedures. Spannend, want de noodkerk is al in aanbouw en de startdatum van de bouw van de nieuwe kerk ligt vast!
Het grootste probleem blijkt dat er ook nog familieleden van de familie Witlox (eigenaar van landgoed ‘Mariahoeve’) liggen. De familie roept hem prompt voor ‘de vierschaar’, zoals de pastoor het zelf uitdrukt. Maar gelukkig is een gesprek mogelijk. Als de familie Witlox zou eisen dat de stoffelijke resten van moeder moesten blijven liggen had de pastoor een probleem, want de zerk zou dan gedeeltelijk in de kerk vallen. De familie gaat tenslotte akkoord met verplaatsing en de pastoor kan aan de slag. Het moet een hartelijke verhouding zijn gebleven of geworden, want mijnheer Witlox mag de bisschop later in zijn auto aan de gemeentegrens afhalen en in een plechtige optocht naar de nieuwe kerk rijden voor de inzegening.
Voor het opruimen van het kerkhof wordt een grote jute-omheining geplaatst. Timmerman André Nagel maakt een twintigtal nieuwe kisten en onder regie van Architect Toon Vriens verloopt het geheel rimpelloos.
Bijgaande luchtfoto uit 1931 laat een begraafplaats zien die al redelijk ‘ingericht’ is, met onder meer een Calvarieberg. Er is veel activiteit, waarschijnlijk als door actuele ter aarde bestellingen als gevolg van de verplaatsing vanaf de kerk.
Het verenigingsgebouw, dat als noodkerk dienst deed, heeft op deze foto een aanbouw op de jongensspeel-plaats. In deze aanbouw werd het priesterkoor gevestigd. De hoofdingang van het Verenigingsgebouw bleef in tact ook voor de kerkgangers.
De noodkerk
Al eerder was nagedacht over een noodkerk. De diensten moesten immers ongestoord door kunnen gaan.
Een oplossing van dit probleem lag voor de hand. De pastoor beschikte immers over de ‘Vereniging’, het gemeenschapshuis dat zijn voorganger pastoor van Rijckevorsel van Kessel in 1902 onder de naam ’St. Paulusgebouw’ had gebouwd! Het was bij uitstek het vergaderlokaal van de Sint Paulusvereniging. Deze vereniging, in Moergestel werd dit later de Mariavereniging ter bestrijding van drankmisbruik, groeide in korte tijd uit tot een belangrijke en zeer actieve vereniging. Door middel van allerlei culturele activiteiten (toneel- en muziekuitvoeringen) en goede voorlichting over de gevaren van het alcoholisme werd de drankbestrijding ter hand genomen.
Het ‘Verenigingsgebouw’ was uitgegroeid tot een cultureel centrum en leende zich uitstekend voor een tijdelijke noodkerk door de aanbouw van een noodlokaal op de aanliggende speelplaats van de jongensschool. Deze was kort daarvoor, in 1928, gereed gekomen. Door doorbreking van de zijmuur ontstond een T-vormige ruimte van aanzienlijke grootte.
De bouw werd officieel aanbesteed. Onder de vele inschrijvers werd Jan Wolfs L.zn. de gelukkige. Hij was de laagste inschrijver voor een bedrag van fl. 3580. Hij moest voor fl. 2740 het gesloopte bouwmateriaal na gebruik weer terugnemen. Veel kan hij er niet aan verdiend hebben. De inrichting van het noodgebouw kostte overigens nog eens fl. 3430.
Dit detail van de luchtfoto uit 1931 laat het gapende gat aan de kerk zien.
Let op de bouwketen aan de zuidzijde van de toren.
De sloop
Van de sloop zijn geen gegevens bekend. De oude kerk verdween onder de slopershamer, ook de prachtige hekwerken. In de sloopovereenkomst blijkt te worden vermeld dat eventuele vondsten eigendom van de parochie blijven. Meldingen van bijzondere oudheidkundige of andere vondsten zijn er echter niet. Moergestel kijkt uit naar haar nieuwe kerk.
AW

Aflevering 3
De financiering van de nieuwe kerk
De financiering van een zo’n groot project als de bouw van een nieuwe kerk, waar de verplaatsing van een kerkhof, de sloop van een oude kerk en de bouw van een noodkerk aan vooraf moet gaan, is geen sinecure. Het vraagt vaak een jarenlange planning en voorbereiding, vooral ook activiteiten om de vereiste financiële middelen te krijgen, met name door wervingsacties voor gulle gevers, stichting van een kerkenfonds, uitgifte van schuldbrieven en een beroep op het bisdom.
In de voorgeschiedenis van de bouw van onze kerk is hiervan nauwelijks iets terug te vinden. Het is niet nodig geweest; alleen pastoor Van Rijckevorsel van Kessel opent in 1915 een bouwfonds bij zijn eerste schuchtere stappen om de kerk óf te vergroten óf te vernieuwen.
De parochie was zich kennelijk goed bewust van haar riante financiële basis.
Een stevig fundament
Het fundament voor dat vermogen was gelegd door Franciscus (Suske) van Gils. Hij was al jong naar Leiden getrokken, waar hij een bloeiende schoenmakerij annex schoenwinkel dreef. Hij bleef ongetrouwd en bouwde een groot vermogen op. Hij overleed in 1882, maar in 1876 had hij al laten vastleggen dat de parochie in Moergestel na zijn overlijden fl. 100.000 zou ontvangen. Het moest beheerd worden door de pastoor en de burgemeester (secretaris van het kerkbestuur).
Een andere voorwaarde was dat uit de intresten van dit bedrag gedurende 100 jaar uitkeringen moesten worden gedaan aan familieleden die door armoede, of ‘ongeluk in zaken achteruit waren gegaan’. Verder moesten zij een toelage kunnen ontvangen zodat zij een opvoeding zouden kunnen bekostigen die in overeenstemming was met ‘hun gevestigde stand’.
Jaarlijks moest ook onder andere een H. Mis worden opgedragen in aanwezigheid van alle begunstigden.
Franciscus ligt begraven op het kerkhof van Moergestel. Bijgaande foto toont zijn graftombe.
Het financieringsplan
Op 23 januari 1931 brengt het kerkbestuur de bisschop formeel, schriftelijk, op de hoogte van haar plannen een nieuwe kerk te willen gaan bouwen, omdat de oude kerk te klein is geworden. Er zijn dan echter al veel discussies aan voorafgegaan, omdat uitbreiden van de bestaande kerk eveneens een optie is geweest.
In deze brief wordt de bisschop geïnformeerd over het financiële aspect: de kosten volgens de begroting en de wijze waarop de middelen hiervoor worden gevonden.
De begroting voor het project bedraagt in totaal fl. 112.500. De middelen hiervoor worden gevonden door fl. 61.400 vrij te maken uit het Fonds Van Gils. Het kerkbestuur leent dus in feite van het Fonds dat zij zelf beheert. Hiervoor betaalt zij aan het Fonds fl. 1905 per jaar voor gederfde interesten. Zo blijft het Fonds in tact en kan aan haar verplichtingen blijven voldoen.
Verder kan fl. 50.000 worden gevonden door verkoop uit het effectenbezit van de kerk
In dezelfde maand komt de reactie van Mgr. Diepen. ‘De financiële kant zullen wij binnenkort in ons kapittel bespreken, maar dien uw verzoek eerst in bij de Heilige Stoel’. Het is dan duidelijk nog een hamerstuk.
De goedkeuringsprocedure verloopt snel en op 18 april 1931 wordt aan aannemer J. de Vries uit Helmond voor fl. 81825 de bouw gegund. Plaats van handeling: het parochiehuis. In het bestek wordt vastgelegd dat de sloop van de oude kerk in het aanbestedingsbedrag moest zijn opgenomen en dat geld, geldswaardige papieren en oudheidkundige vondsten eigendom van de kerk blijven. Deze clausule zou later nooit in het geding zijn, omdat er geen waardevolle voorwerpen zijn gevonden.
Voor de sloop zijn 300 uren in de grondwerken opgenomen.
In de bouwsom is niet begrepen een bedrag van fl. 4300 voor de aankoop van leien en fl.7500 aan honorarium voor architect en opzichter.
De nacalculatie
Als na de bouw en de inrichting de balans wordt opgemaakt zien we onderstaande lijst van inkomsten en uitgaven ten behoeve van het totale project:
Inkomsten.
| Effecten fonds Van Gils Effecten uit vermogen van de parochie Uitgelote effecten Geldleningen van parochianen Verkoop van het Broederhuis Giften Verkoop oude materialen Totaal |
42917
41920 5008 21850 18000 4197 210 134102 |
Kennelijk heeft men tussentijds besloten het Fonds Van Gils en het eigen effectenbezit te ontzien, door een beroep te doen op de parochianen en door het broederhuis te verkopen. De school was kort daarvoor, in 1928, gebouwd door de gemeente. De parochie bouwde voor eigen rekening het aanliggende broederhuis dat een jaar later gereed kwam. De achtergronden van de snelle doorverkoop aan de congregatie van de Broeders van O.L.Vrouw van Dongen blijven vooralsnog onduidelijk.
Uitgaven.
| Ontruiming kerkhof Inrichting noodkerk Bouw incl. meerwerk Schansmuur om de kerk Kerkbanken Leien dak Elektrische installatie Pompinstallatie Vloer priesterkoor Altaren, communiebank, beelden, tabernakel, koperwerk, luchters. Kosten architect en opzichter Diversen Totaal |
2008
3413 88116 2700 7151 5854 2583 1279 1372 10031 9195 3054 136756 |
Zoals bij nagenoeg elke bouw werden de ramingen ook hier op een aantal punten overschreden, maar gezien de veelheid van activiteiten en de omvang daarvan is er sprake van een relatief kleine overschrijding van kosten. Telt men hierbij de kwaliteit van werken en de tijd waarbinnen het project is afgerond, dan mag men spreken van een geweldige prestatie.
AW

Aflevering 2
Architect Valk, de bouwmeester van de Moergestelse kerk
Zoals u al eerder in de artikelen in deze serie m.b.t. het 75-jarig bestaan van de kerk van Moergestel hebt kunnen lezen, werd door aannemer Gerard de Vries op 31 juli 1931 gestart met de bouw van onze kerk Minder dan een jaar later al, op 30 mei 1932, werd de kerk door monseigneur Diepen, bisschop van ’s-Hertogenbosch geconsecreerd.
H.W. Valk
Het kerkgebouw werd ontworpen door architect Hendrik Willem Valk (1886 – 1973), geboren in Elst, de bouwer en restaurateur van heel veel kerken, kloosters, kapellen en pastorieën, met name in Brabant.
Valk was een self-made man. Een opleiding tot architect heeft hij nooit gevolgd. Hij leerde het vak in de praktijk en door cursussen. Via een aanstelling als timmerman-schrijnwerker, de ambachtsschool, de kunstnijverheidsschool, de functie van tekenaar-opzichter en tenslotte lessen van o.a. Jos Cuijpers en H.P. Berlage aan de Amsterdamse Academie groeide hij uit tot de veelgevraagde ontwerper van heel veel (ruim 40) kerken.
Hij begon met opdrachten voor woningbouw, kantoren, villa’s en raadhuizen en werkte voornamelijk met beton. Later koos hij voor het traditionelere baksteen en daarbij vooral voor de eerlijke z.g. kloostermoppen, waarmee ook onze kerk is gebouwd.
Zijn eerste kerken: Utrecht (Aloysiuskerk, zie foto) en Waalwijk (St. Jan de Doper), gebouwd onder invloed van zijn leermeesters Jos Cuijpers en Jan Stuyt, waren z.g. centraalbouwkerken met grote koepels, naar het Byzantijnse beginsel. Bij centraalbouwkerken staat het altaar in het midden van het gebouw, onder een koepel die in feite het gehele gebouw bedekt. Beoogd daarbij wordt een innige en actieve deelname van de gelovigen aan de liturgie.
Christocentrisch
Later kwam Valk op deze keuze terug, omdat hij toch vond dat bij centraalbouw het aanwezige volk de ruimte teveel domineerde. Hij ging toen christocentrische kruisbasilieken bouwen, zoals hij deze zelf noemde, zadelkerken met een duidelijk aanwezig tegenwoordigheidscentrum als offerplaats op de kruising, waaromheen de gelovigen aan drie zijden het altaar omsluiten.
Zijn architectuur werd sterk gericht op traditie, volksaard, platteland en het gebruik van natuurlijke materialen. Hij propageerde met verve een herwaardering van het ambacht en liet zich inspireren door streekeigen bouwwijzen. Vanaf ongeveer 1930 sloot Valk zich voor wat betreft de vormgeving aan bij de traditionele baksteenbouwkunst uit de Middeleeuwen. De vormgeving van zijn kerken werd overwegend traditioneel “naar den geest der kerk en volk”. Het gebruikte materiaal moest eerlijk zijn, “van solide en eenvoudige aard, nobel en ambachtelijk zuiver bewerkt”: baksteen dus en liefst zonder pleisterlaag.
De plattegrond van de door Valk ontworpen gebouwen moest doelmatig zijn, met een logische opbouw van de gevels. Doelmatigheid ook inwendig: hij stelde in zijn kerken zo min mogelijk pijlers op, opdat het zicht op het altaar bewaard zou blijven. Dus: breed middenschip, smalle zijbeuken en een kort, licht koor.
Zo ontstonden kerken die moeiteloos pasten in de bestaande bebouwing van de vele dorpskernen van het platteland, alsof ze er altijd al hadden gestaan, als middelpunt van de nog onbedorven Brabantse plattelandsgemeenten.
Deze wijze van bouwen, gericht op traditie en volksaard, die zijn kerken een geheel eigen karakter gaf, bracht hem in conflict met de “internationalistische” architecten van de heersende Nieuwe Zakelijkheid. Dezen zagen de traditioneel werkende architecten als Valk, Kropholler en Van Moorsel niet voor vol aan. Later echter, omtrent het eind van het Interbellum, de tijd tussen de twee wereldoorlogen, kwam er opnieuw belangstelling voor de door Valk gepropageerde ambachtelijkheid.
Rijksmonument
Toen in 2002 onze kerk rijksmonument werd vermeldde het officiële schrijven vanuit Den Haag: Het inwendige (van de kerk) is typerend voor de wijze waarop (architect) Valk de expressionistische baksteenvormen uit zijn eerste periode mengt met traditionele
neo-middeleeuwse baksteenvormen. De kerk is van algemeen belang. Het gebouw heeft cultuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van de geestelijke ontwikkeling van het katholicisme in het Interbellum en de typologische ontwikkeling van de christocentrische volkskerk. Het gebouw heeft ensemblewaarde vanwege de situering, verbonden met de ontwikkeling van het dorp. Het is gaafbewaard gebleven.
Veel Brabantse kerken.
Zoals al eerder vermeld, is een groot aantal van de kerken in Brabant en Limburg en in mindere mate in de rest van het land ontworpen door architect Valk. Wanneer ik er nu een aantal ga noemen, zult u - onze kerk en wellicht ook die andere kerken kennende - ongetwijfeld zeggen: “O ja, dat kan ik me voorstellen”. Hier volgt een klein aantal van de vele door hem gebouwde kerken: Oisterwijk (Joanneskerk 1926), Amsterdam (De Zaaier 1927, inmiddels moskee), Tilburg (Theresia 1929, inmiddels verbouwd tot appartementengebouw, hetgeen aan de buitenzijde gelukkig nauwelijks te zien is), Alphen a/d Maas (Lambertus 1929), St. Michielsgestel (Michaël 1930), Heeze (Martinus en Agatha 1930), Haalderen (O.L.V. van Zeven Smarten 1931), Beek en Donk (Michaël 1932), Waalre (restauratie van Willibrorduskerk 1939), Lage Zwaluwe (Johannes de Doper 1948), Herten (Michaël 1951), Alphen (Willibrordus 1953), Arcen (Petrus 1955).
Ook andere gebouwen dan kerken werden door hem gebouwd of gerestaureerd: Den Bosch (appartementen van het Emmaplein), Vught (herbouw van Huize Leeuwenstein), Den Bosch (nieuwe façade van de Van Lanschot-bank).
Het meest in ‘t oogspringend hierbij is echter zijn eigen woonhuis, de als middeleeuws versterkt kasteeltje ogende “Villa Fort Sint-Anthony”, gebouwd op de restanten van het oude fort Sint Anthony, gelegen aan de rand van het Bossche Broek aan de Vughterweg 74, een opvallend baken op de plaats waar je vanuit Vught Den Bosch binnenkomt. Een gebouw met een natuurlijk oer-Hollands karakter
Enige van de Brabantse kerken
![]() |
|
|
Tilburg, H. Theresia, 1929 |
|
![]() |
![]() |
| Oisterwijk, H. Joannes, 1926 | Knegsel, H.H. Monulphus en Gondulphus,1926 |
![]() |
![]() |
| Heeze, H.H. Martinus en Agatha | 1930 Detail van bouwtekening van onze kerk |
TvE

Aflevering 1
Bouwpastoor Janssen
Het voorspel
Met welke verwachtingen zou pastoor Janssen in 1921 aan zijn taak in Moergestel zijn begonnen? Hij zal ongetwijfeld met plezier en enthousiasme zijn benoeming hebben aanvaard. Hij was er ook voor toegerust, want hij was na zijn wijding in 1897 op 26 jarige leeftijd aan zijn kapelanaat in Beek begonnen, was zeven jaar rector in Aarle-Rixtel, twee jaar in Voorburg en werd in 1917 pastoor in Luijksgestel toen hij 35 jaar was.
Zijn benoeming in Moergestel in 1921 zal hij wel niet als een promotie hebben ervaren, want zowel de parochie hier als die in Luijksgestel was gelijkwaardig in grootte met een rustige, agrarische bevolking.
Of zou hij een bijzondere uitdaging hebben meegekregen met een taak als bouwpastoor van een nieuwe kerk? Mogelijk, want in zijn kennismakingsronde moet hij hebben gesproken met pastoor Van Rijckevorsel van Kessel en deze energieke aristocraat van goede huize, die kort daarvoor al het verenigingsgebouw en de boterfabriek had gebouwd, zal hem ongetwijfeld enthousiast hebben verteld van zijn plannen een nieuwe kerk te bouwen.
Waren er al concrete plannen? Jazeker, maar of die toen al gedragen werden door het bisdom is twijfelachtig. Van Rijckevorsel van Kessel was ambitieus genoeg om ‘alvast te beginnen’ en met zijn relaties in invloedrijke kringen en ook nog een eigen vermogentje is hij wellicht al aan de slag gegaan.
In 1921 opent hij een bankrekening voor het fonds voor de bouw van die nieuwe kerk. Zijn activiteiten roepen het beeld op van een opkomend probleem van een kerk die geleidelijk te klein werd, waarbij de oplossing gezocht moest worden in uitbreiding of nieuwbouw en een pastoor die niet van afwachten houdt.
De onzekere toekomst is ook bij de bisschop bekend, want als pastoor Janssen in 1927 toestemming vraagt om fl. 1200 te investeren in een verwarmingsinstallatie krijgt hij nul op het rekest met de opmerking: ‘te duur, wij raden u aan verwarming met een kachel te beproeven’. Het argument dat het niet te doen is als 55-jarige pastoor om in de winter een kwartier lang communie uit te reiken was ook niet al te sterk natuurlijk.
Het verzoek van de pastoor wijst er echter niet op dat hij bouwplannen heeft, zeker niet als we zijn verdere motivering lezen: ‘als er volgend jaar een nieuwe pastoor komt zal blijken dat hij waarschijnlijk nog verscheidene jaren met deze kerk zal moeten doen. De kerk is voorlopig voor drie H. Missen nog groot genoeg en daarbij met al haar gebreken nog sterk genoeg’. Wat merkwaardig want twee jaar later was dat al opgelopen tot vier H. Missen in het weekend. Kennelijk heeft pastoor Janssen ook het vooruitzicht gehad elders benoemd te worden wat zijn bouwambities moet hebben getemperd.
De mens
De familie Witlox had al eerder problemen gemaakt over begraafplaatsen. Nu moest hij opnieuw met de familie gaan praten, deze keer over het verplaatsen van een graf van een familielid van het oude kerkhof aan de kerk naar het nieuwe. De pastoor sprak zelfs over ‘ik moest voor de vierschaar komen’. Hij slaakte een zucht van verlichting toen na het gesprek de familie Witlox akkoord ging met verplaatsing. Hij bewerkstelligde zelfs dat de heer Witlox later Mgr. Diepen voor de inzegening van het nieuwe kerkgebouw in zijn auto van de grens van het dorp naar de kerk bracht.
Deze gevoelige priester kon het, bij in gebruikname van de nieuwe kerk, niet over zijn hart verkrijgen zijn parochianen niet te waarschuwen voor te hoog opbieden voor de pachtgelden van de banken. Wij danken nu aan deze kunstminnende man de prachtige houten beelden die hij verzamelde, liet restaureren en in zijn nieuwe kerk plaatsen; zij overleefden gelukkig de kleine beeldenstorm van de jaren zestig.
De aanvraag ingediend
Stond in 1927 de pastoor nog niet te springen om zijn nieuwe kerk te bouwen, toch werd in het najaar van 1929 het verzoek om de bouw van die nieuwe kerk ingediend. Het motief luidde: ‘De laatste 10 jaar in de bevolking met 300 zielen toegenomen. De laatste drie jaar heeft op Zon- en Feestdagen elke priester twee missen op één dag moeten doen’.
Wat is de reden van deze ommezwaai? Waarschijnlijk heeft het kerkbestuur de knoop door willen hakken na nieuwe informatie. Zo was gebleken dat de kerk niet op de monumentenlijst geplaatst kon worden. Zij was weliswaar zeer oud, maar door de vele uitbreidingen in de loop der tijd had zij als monument geen betekenis. Hierdoor verviel een belangrijke financieringsmogelijkheid. Nu bleek tevens dat nieuwbouw- en sloopkosten niet hoger zouden zijn dan de restauratie- en uitbreidingskosten.
Verder is men er in deze tijd achter gekomen dat het fonds Van Gils, waarover later meer, aan te wenden was, waardoor het financieringsplan relatief gemakkelijk rond te krijgen was. Er was nog wel een hobbel te nemen, maar die was van geheel andere aard. Parallel aan de plannen van de pastoor hadden parochianen van de Broekzijde/Heijze namelijk een aanvraag ingediend om een eigen kerkje te bouwen.
Concurrentie
De bewoners van de Broekzijde/Heijze dienden een eigen verzoek bij de bisschop in om een kerk te mogen bouwen in de Stenen Putstraat (Klein Locht). Dat verzoek werd ingediend door 23 gezinshoofden en 19 pachters die er zelf fl. 12.000 in wilden steken. Op de achtergrond speelden motieven als de grote afstand en de onberijdbaarheid van de wegen in de winter. Waarschijnlijk heeft ook de grote groepsbinding onder de bewoners een rol gespeeld. Zij hadden immers kort daarvoor in een gezamenlijke strijd hun recht gehaald in een decennialang juridisch gevecht met de gemeente over hun aanspraken op de ‘gement’ – het gebruik van en rechten op de gemeenschappelijke gronden in de Heijze.
Aanvankelijk kregen zij van de bisschop een welwillend oor, maar de parochie wist hun argumenten te ontzenuwen. ‘Deze mensen zijn niet eensgezind, dat hebben we met de bouw van de boterfabriek ervaren, en bovendien liggen er in de Heijze verharde wegen en kunnen de bewoners met de bus naar kerk’ . Het pleit was beslecht. De pastoor kreeg toestemming voor zijn vierslag: verplaatsing van het kerkhof, de bouw van een noodkerk, sloop van de oude kerk en de bouw van een nieuwe kerk.
AW
Algemeen
Op 30 mei 2007 is het 75 jaar geleden dat onze parochiekerk werd ingewijd
Het Registrum Memoriale (parochiedagboek) en een publicatie in de Kleine Meierij van de hand van Ad Wolfs tien jaar geleden, geeft de geschiedenis weer van onze parochiekerken. Want onze huidige kerk is niet het eerste kerkgebouw. Alleen de toren dateert van rond 1500.
Uit geschriften van 1225 en 1228 blijkt op nagenoeg dezelfde plaats als nu al een kerk te hebben gestaan. Wellicht de eerste. In 1414 zegende pastoor Henricus de Oosterwijk een kerk in. En in 1610 werd de herbouw van het in 1585 door brand verwoeste kerkgebouw voltooid.
Na de 80-jarige oorlog (1568 - 1648) werd de kerk staatskerk en kwam in handen van een 20-tal protestanten, die toen in Moergestel en omgeving woonden. Vanwege dit kleine aantal werd het oostkoor van een zolder voorzien, die het gemeentebe-stuur als raadhuis gebruikte. De toren werd een gevangenis.
Van 1649 tot 1809 gebruikten de katholieken een noodkerk, ook wel schuurkerkgenoemd, die waarschijnlijk gestaan heeft in de driehoek Raadhuisstraat / Postelstraat.
Pas in 1811 werd de kerk, vervallen en verwaarloosd aan de 1165 katholieken van Moergestel teruggegeven. Hieronymus Pessers was toen pastoor (1810 –1838). De waarde van de kerk werd bepaald op f. 9500,-, dwz. f. 8,- per inwoner. De protestanten kregen dus een vergoeding van 23 x f. 8,- = totaal f. 184,-, die ze overigens, gefrustreerd als ze waren, hebben geweigerd. Het geld is naar het armenfonds gegaan.
Ondanks vele onderhoudsbeurten nam het verval van de kerk snel toe. Daarom besloot pastoor De Louw (1878 - 1895) een algehele restauratie uit te voeren. Architect Carl Weber begrootte de kosten op f. 13.500,-. Door de vele extra's, zoals een sacristie en een priesterkoor, werd dit bedrag met ruim f.10.000,= overschreden. Tot slot was het orgel uit 1849 ook aan vervanging toe: "Het orgel is dusdanig van slag, dat de muziek eerder dient ter verstrooiing dan om op te wekken", aldus pastoor De Louw.
In de loop der jaren dreigde door toename van de bevolking de kerk ook te klein te worden en werd de inrichting onpraktisch. Als dan ook nog blijkt dat de verbouwingskosten hoger zijn dan nieuwbouw worden onder pastoor Van Rijckevorsel in 1914 plannen voor een nieuwe kerk gemaakt. Pastoor Jos. Janssen (1921 - 1947) begint daarom in 1929 de eerste briefwisseling met de bisschop.
Groot en onaangenaam was de verbazing toen bleek dat 33 gezinnen, 19 pachters en enkele sympathisanten van de Heyze, de Vinkenberg en de Heuvel bij de bisschop om een eigen kerkje hadden gevraagd. Dat zou dan moeten komen in de Steenen Putstraat (thans Klein Locht).
Na snel overleg van pastoor Janssen vond de bisschop dat die meer zwaarwegende argumenten had dan de "recalcitranten" en besloot toestemming tegeven voor een nieuwe parochiekerk, mede omdat het kerkbestuur over de nodige gelden beschikte. Franciscus van Gils had immers f. 100.000,- in geld en effecten aan de kerk nagelaten.
Op 18 maart 1931 vond de aanbesteding plaats. Aannemer Gerard de Vries uit Helmond kreeg het werk voor f. 81.825,- exclusief de aankoop van leien.
Direct werd begonnen met het overbrengen van de stoffelijke resten rond de kerk naar het huidige kerkhof, dat in 1928 was aangelegd. Het verenigingsgebouw werd noodkerk en op 17 april ingezegend en in gebruikgenomen. Op 31 juli startte de aannemer met de bouw van het door architect Valk ontworpen kerkgebouw. De bouw duurde nog geen jaar, zodat op 30 mei de consecratie door Mgr.Diepen kon plaats vinden.
Al in 1943 werd geconstateerd dat de betimmering van het dak niet in orde was. Een Tilburgs bedrijf had er zich met een "jantje van leien" van af gemaakt. Ondanks de oorlog slaagde men er in het dak voor f.15.000,- te laten vernieuwen.
Jos. Janssen is tot 1947 de trotse pastoor van ZIJN parochiekerk geweest.
In de loop der jaren zijn er vele onderhoudswerken uitgevoerd, met name aan de daken en goten. Onze kerk is een gebouw dat aandacht en onderhoud blijft vergen.
Begin 2002 is de kerk rijksmonument geworden. De toren was dat al veel langer. Onze kerk is door zijn cultuurhistorische waarde van groot belang en door de situering bepalend (geweest) voor de ontwikkeling van ons dorp.
jvo.
B. Publicaties 'De zeven Werken van Barmhartigheid'
De zeven Werken van Barmhartigheid (deel 4)
(Zieken bezoeken - doden begraven)
De zieken bezoeken
Wanneer je ernstig ziek wordt, staat je hele leven op z’n kop. Wat je eerst allemaal kon, dat kun je nu niet meer, of met heel veel moeite. Je gaat onder ogen zien dat je kwetsbaar bent, dat je moet gaan leven met een handicap, dat je misschien nog maar heel weinig perspectief hebt. Je moet je gaan afvragen hoe je met deze situatie moet omgaan, hoe je staat ten opzichte van God en je geloof in God. Naast de lichamelijke ongemakken die een (ernstige) ziekte met zich meebrengt, zijn zulke overwegingen extra belastend.
Taboe
Aan sommige ziekten hangt bovendien nog eens een taboe of stigma. Denk bijvoorbeeld aan AIDS, dat heel lang, en soms nog steeds, gekoppeld werd en wordt aan een bepaald gedrag.
Denk ook aan ME (het chronisch vermoeidheidssyndroom) of aan bepaalde soorten van depressie, die vaak niet begrepen worden en waarvan de lijders vaak worden beschouwd als aanstellers ( “het zal wel tussen de oren zitten”). Ook wanneer je eenmaal in het psychiatrische circuit bent beland, wordt vaak gedacht: “eens gek, altijd gek”.
Aandacht
In de media wordt de laatste tijd veel aandacht besteed aan ziekte, ziektebestrijding en -preventie en medische problemen, soms wel zoveel dat mensen er zich weer voor gaan afsluiten. Dat is uiteraard niet de bedoeling, want de zieke mens moet aandacht houden.
Dan wordt duidelijk dat onze maatschappij in de praktijk eigenlijk niet zo is ingesteld op mensen met een handicap. Dat zien we bijvoorbeeld aan de niet altijd optimale vorm van toegankelijkheid van straten, gebouwen (scholen, theaters, kerken) voor mensen die gebruik moeten maken van rolstoelen. Denk ook aan de arbeidsmarkt die niet altijd op mensen met een handicap of met weinig energie is ingespeeld (rolstoelers, mensen met gehoor- of gezichtsproblemen, met rugklachten of ME).
Veranderingen
Ziekte kan in iemands leven ingrijpende veranderingen met zich meebrengen. Wanneer de ziekte zodanig is (verlamming, vérgaande dementie) dat de zieke niet meer thuis te verplegen is, zal overbrenging nodig zijn naar een verzorgingshuis, een verpleeghuis of een hospitium.
Dat betekent niet alleen een enorme omslag in het leven van de zieke, maar ook in het leven van degenen die de zieke tot die tijd hebben verzorgd. Mantelzorg kan ver gaan, maar eist ook vaak veel van de betreffende mantelzorger, zoveel zelfs, dat die zorg niet altijd kan worden voortgezet, omdat de mantelzorger er dan zelf onderdoor dreigt te gaan.
Betaalbaarheid
Het zorgstelsel in ons land is de laatste jaren onderwerp (geweest) van veel discussies. De betaalbaarheid voor nu en in de toekomst staat op het spel. De kosten van medische ondersteuning en voor de medische technologie van de ziekenhuizen en andere medische instellingen stijgen dramatisch. Een en ander is mede het gevolg van de toenemende vergrijzing van de populatie.
Dat brengt naast de vraag naar de betaalbaarheid ook de vraag naar de mate waarin je zorg moet en kunt aanbieden. Moet je alles aanbieden wat kan? Wie betaalt de zorg? Wat is de taak van de overheid? Hoever gaat de taak van de verzekering? Hoe zit het met de opleiding van artsen en verplegenden? Moet de rol van de mantelzorger en de vrijwilliger worden uitgebreid?
Vrijwilligerswerk
Met betrekking tot die vrijwilligers: er wordt in ons land erg veel tijd gestoken in vrijwilligerswerk in de ziekenzorg. Je kunt je daarbij afvragen waarom vrijwilligers dit soort werk doen. Wanneer het gaat om familieleden is die vraag vrij gemakkelijk te beantwoorden: de zieke hoort bij jou; hij/zij heeft jou vroeger verzorgd, nu doe je het hem/haar. Wanneer het gaat om zieken uit de kring van een gemeenschap, een parochie, ligt de zaak iets ingewikkelder, maar is toch nog steeds heel logisch: je deelt met elkaar de zorg voor mensen met wie je een gemeenschap vormt, je steunt elkaar in moeilijke tijden.
Zo bestaan in elke gemeenschap en in elke parochie, ook in de onze, groepen die zich inzetten voor de zieke medemens. Denk bijvoorbeeld, naast de professionele hulp, eens aan de Zonnebloem, die verspreid over het land, 1500 afdelingen heeft, die zich bezighouden met het verlichten van de ziekte voor duizenden zieken en bejaarden.
Denk aan de parochiële zieken(bezoek)groepen die belangrijk werk verrichten bij het bezoeken van zieken, het bezorgen van een bloemetje en het aangaan van een gesprek, waardoor zieken zich niet alleen voelen in hun ziekte.
Denk aan mensen die zich bezighouden met het begeleiden van zieken die op pelgrimstocht gaan naar een bedevaartsplaats.
En denk tenslotte aan al die naamloze hulpvaardige mensen die, ongezien, maar met veel warmte, zich inzetten voor de zieke naaste in de straat, de wijk.
Al deze vrijwilligers verrichten hun taak geheel belangeloos, uit solidariteit met de zieken, vaak vanuit een diep geloof
De doden begraven.
Het begraven van de doden en alles wat daarmee samenhangt, hoorde van oudsher niet thuis in het rijtje van de Werken van Barmhartigheid, zoals verwoord in Mattheus 25. In de christelijke traditie heeft men het begraven van de doden later toch opgenomen als zevende werk van barmhartigheid. Het verzorgen, uitgeleide doen en begraven van de dode en het begeleiden van de nabestaanden wordt met grote aandacht en liefde verricht, niet alleen in onze christelijke cultuur, maar evenzeer in alle andere culturen.
Uitnodigen
De dood is een uitnodiging om het leven te beschouwen. Allereerst het leven van de overledene zelf. Hoe was hij/zij? Hoe was hij werkelijk, in zijn eigenheid, zonder vooroordelen en niet bezien door de bril van de niet-oplettende beschouwer? Pas wanneer we die bril, dat vooroordeel opzijschuiven, doen we recht aan de dode, met alle respect voor deze mens, geschapen naar Gods beeld.
Maar het overlijden van een medemens brengt ons er ook toe ons eigen leven weer opnieuw te beschouwen, soms op confronterende wijze. We worden uitgenodigd om naar onszelf te kijken en ons af te vragen: “wie ben ik?” en “waar ga ik voor in dit leven?’ Elke stervende confronteert ons met onze eigen kwetsbaarheid en onze eigen dood te zijner tijd.
Eindigheid
In onze maatschappij is lange tijd hoofdzakelijk aandacht geweest voor de steeds meer toenemende mogelijkheid om ziekten te genezen. Daardoor was er minder aandacht voor mensen bij wie dit niet meer mogelijk was: chronisch zieken, gehandicapten, hoogbejaarden, stervenden. Wanneer iemand overleed, was dat een zaak van de uitvaartonderneming.
Geleidelijk echter is er weer meer aandacht gekomen voor de kwetsbaarheid en eindigheid van elke mens. De zorg voor stervenden nam weer toe. De omgang met de dood kreeg weer een grotere plaats in onze samenleving. Dat uit zich in de manier waarop wij tegenwoordig (weer) omgaan met de stervende en dode medemens. Mensen worden weer vaker thuis opgebaard, de nabestaanden hebben weer een belangrijke stem bij de wijze van afscheid nemen en er zijn talloze rituelen ontstaan rondom een begrafenis. Dood en kwetsbaarheid horen nu eenmaal ook bij het leven: een belangrijk motief om stervenden en rouwenden bij te staan.
Zorg
Elke cultuur en elke godsdienst kent zijn eigen begrafenisrituelen. Al die rituelen, hoe verschillend ze ook kunnen zijn, gaan uit van een diepgeworteld besef dat het belangrijk is om respectvol om te gaan met de overledene.
Naast de zorg voor een passende uitvaart of crematie, uit die zorg voor de stervende en de overledene zich in pastorale en diaconale zorg, óók met betrekking tot de nabestaanden, de rouwenden.
Pastoraal zijn de vragen die het sterven en de dood oproepen met betrekking tot geloof en zingeving. Stervensbegeleiding is een belangrijke pastorale taak. Niet alleen pastores houden zich bezig met die pastorale zorg, vrijwilligers in de parochie begeven zich ook op dit terrein. Denk bijvoorbeeld aan het werk van een parochiële rouwverwerkingsgroep. Ook aan het werk van de avondwakegroepen zit een pastorale kant.
De diaconale zorg uit zich in meer concrete hulp en zorg, praktisch, emotioneel en soms ook financieel. Die zorg is gericht op verzachten, samen dragen en het oplossen van noden.
Vaak zijn de grenzen tussen pastorale en diaconale zorg moeilijk te trekken. Ze lopen in elkaar over of overlappen elkaar.
Avondwake
Vrijwilligers van een avondwakegroep hebben een belangrijke taak in een parochie. Ze zijn bezig op velerlei terreinen: pastoraal, diaconaal, liturgisch en gemeenschapvormend.
Vroeger was de avondwake een burenplicht: na een overlijden kwamen de buren samen om gezamenlijk de dode te begeleiden in gebed en praktische zorg.. In bepaalde delen van ons land bestaat deze burenplicht nog steeds. Elders is (een gedeelte van) dit werk overgenomen door de avondwakegroepen. De leden van de groep gaan op bezoek bij de nabestaanden van de overledene, brengen troost, maar luisteren vooral. Daarna bieden zij de mogelijkheid tot het houden van een liturgische bijeenkomst, waarin de nabestaanden zelf een grote rol kunnen vervullen wanneer zij dat wensen. Ze bieden teksten, bijbellezingen en muziek.
De leden van een avondwakegroep bieden op deze wijze niet alleen pastorale en diaconale hulp aan de nabestaanden, hun werk is ook van betekenis voor hen zelf. Een van de leden van de Moergestelse avondwakegroep verwoordt dat aldus: “Ik ben gaandeweg anders gaan aankijken tegen de dood. De dood hoort bij het leven. Als je jong bent raakt de dood je niet zo. Ouder wordend wordt de dood “gewoon”, je raakt vertrouwd met de gevoelens van mensen die de dood in eigen kring meemaken. Dat resulteert in een intensief gesprek, soms heel persoonlijk, en in een gedegen voorbereiding bij het schrijven van het “in memoriam”.
Dat doe je niet in een verloren halfuurtje. Het gaat over afscheid nemen en dat raakt me diep.”
Gemeenschap
Hoezeer de dood van een medemens onderwerp van pastorale, diaconale en praktische zorg is in een gemeenschap, kunnen we zien in de vele groeperingen die met deze zorg bezig zijn. Naast de uitvaartonderneming, de pastores, de rouwverwerkingsgroep en de avondwakegroep, die bovenstaand al zijn genoemd, zijn rondom de stervende en de overledene ook actief:
- de zieken(bezoek)groep;
- de acolieten voor de uitvaart;
- de begraafplaatsbeheerder en de begraafplaatsadministratie;
- de kerkhofwerkers en de grafdelver;
- de versiergroep;
- de koren.
Een en ander laat zien hoe belangrijk de zorg voor stervenden en overledenen is in onze maatschappij. Niet weglopen voor pijn, angst, woede, lijden en dood. Daarmee draag je bij aan de kwaliteit van leven van stervenden én rouwenden en geef je tegelijkertijd vorm aan je eigen kwaliteit van leven.
TvE
De zeven Werken van Barmhartigheid (deel 3)
(Gevangenen en Vreemdelingen)
Gevangenen
Een van de zeven Werken van Barmhartigheid luidt: de gevangenen bezoeken”. Het heet ook wel: “de gevangenen vertroosten”, of: “de gevangenen bevrijden”.
Dat laatste klinkt ons een beetje vreemd in de oren, omdat dat riekt naar iets subversiefs. Een gevangene zit namelijk niet voor niets in de gevangenis en bevrijden zou zijn een daad van burgerlijke ongehoorzaamheid. Dat woord “bevrijden” stamt dan ook uit de tijd dat veel christenen in het middeleeuwse Spanje gevangen werden gehouden door de “Moren”, juist omdat ze christenen waren. Bevrijden was toen een daad van naastenliefde. De term “bezoeken”, waarbij dan meteen “vertroosten” plaats vindt, is heden ten dage dus van toepassing als werk van barmhartigheid.
Contact
Iedere gevangene – wat hij ook heeft misdaan – is en blijft een mens. Voor mensen is contact levensnoodzakelijk. Vanuit de kerk is daartoe het justitiepastoraat ingesteld. Justitiepastores en gevangenispredikanten gaan regelmatig op bezoek bij gevangenen en houden ook vieringen in de kapel van de justitiële inrichting. Katholieke parochies en protestantse gemeenten hebben ook contact met inrichtingen die binnen deze parochies liggen. Dat betekent dat pastores en predikanten ook regelmatig gevangenen opzoeken en met hen praten.
Maar niet alleen pastores en predikanten, ook vrijwilligers, al of niet georganiseerd in werkgroepen, kunnen een belangrijke taak hebben bij het bezoeken van gevangenen.
Wat kunnen zij zoal doen?
- op de eerste plaats natuurlijk het menselijke contact zelf: praten met de gedetineerde, maar vooral luisteren;
- pastorale zorg (op verzoek van de gedetineerde);
- hulp bij administratieve handelingen: brieven en verzoeken schrijven, ordenen en rubriceren van administratie;
- ondersteuning bij handelingen buiten de inrichting: meegaan en hulp bij bezoek aan instanties, medische zorg, reclassering;
- contact met andere hulpverleners (justitiepastor, reclasseringsmedewerkers);
- ondersteuning en regeling bij bezoek van familieleden;
- motivering bij scholingen en cursussen;
- bij ontslag: opvangen van gedetineerden;
- na ontslag: hulp bij het weer opstarten van ’t leven buiten de inrichting in de nazorg.
Nazorg
Met name ook in de nazorg kan veel door vrijwilligers worden verricht om ex-gedetineerden op te vangen en te ondersteunen in het hervinden van de goede weg, om de (her)integratie te bevorderen en recidivegevaar te voorkomen. Door nazorgprojecten wordt voor zo’n driekwart van de ex-gedetineerden met succes gezorgd voor een nieuw bestaan, een eigen woning en een baan. Dat gebeurt door individuele begeleiding, bezoeken van “praatplaatsen” en speciaal voor deze mensen georganiseerde kerkdiensten. Op een aantal plaatsen in ons land bestaan z.g. “Exodushuizen”, die een begeleide woon- en werkplek bieden aan ex-gedetineerden, waar ze worden begeleid in wonen, werk, relaties en zingeving. Van degenen die met zo’n project meedoen, komt later
70 % goed terecht en keert de criminaliteit voorgoed de rug toe.
Vreemdelingen
Pratend over vreemdelingen moet eerst duidelijk worden wie vreemdelingen zijn.
Vreemdeling zijn is van alle tijden. Elke maatschappij, elk land heeft vreemdelingen.
In de bijbel wordt verhaald hoe twaalf stammen van het Israëlitische volk vreemdelingen (bannelingen) zijn geweest, maar ook hoe ze voor elkaar vreemdelingen zijn geweest en elkaar als zodanig behandeld hebben. In het O.T. lezen we hierover zowel negatieve (verhaal van Lot) als positieve verhalen (Abraham die drie vreemdelingen gastvrij ontvangt). In het N.T. betoogt Jezus dat het herbergen van vreemdelingen gelijk is aan het herbergen van Hemzelf.
Ook in de bijbel waren vreemdelingen economische migranten (slaven), armen of sociaal zwakkeren. In de tijd van Jezus leefde de overtuiging dat de afstand tot de vreemdeling overbrugd kon worden wanneer de vreemdeling Jood zou worden. Jezus echter ging hier niet in mee en onderstreepte dat met zijn verhalen over de Samaritanen.
Huidige benadering
Ook in onze tijd en onze maatschappij kun je vreemdelingen op verschillende wijzen benaderen:
- je kunt ze zien als vluchtelingen, verdreven of gevlucht uit landen met een dictatuur;
- we kunnen ook spreken over economische migratie: mensen die vanuit armere landen gaan naar rijkere landen om daar te profiteren van de hogere levensstandaard.
Eerstgenoemden (politieke vluchtelingen) zijn van alle tijden. Zij kwamen en komen ons land binnen en konden en kunnen daar altijd rekenen op opvang en steun.
Met de tweede categorie, die om economische redenen ons land binnenkwam en binnenkomt, ligt de zaak moeilijker. We kunnen ons herinneren dat in de vorige eeuw Italianen, Turken en Marokkanen massaal ons land op uitnodiging binnenkwamen, omdat wij de arbeidskracht van deze mensen goed konden gebruiken. Zij zijn indertijd goed opgevangen, maar de buitenlanders die in latere jaren tot nu toe ons land om economische redenen binnenkwamen en –komen, worden anders bekeken. “Vol is vol” is vaak het motto waarmee men ze wil weren. Vooral rond en na 2002, te beginnen met het “Fortuijnistische” tijdperk en na de aanslagen op de Twin Towers in New York, begon men buitenlanders ook te zien als een potentieel gevaar. Meningen en regeringsstandpunten buitelen sindsdien over elkaar heen en de laatste woorden over deze kwesties zijn nog lang niet gesproken. Standpunten verharden zich en door sommige figuren wordt haat gezaaid tussen autochtone en allochtone inwoners van ons land, zodat Nederland geleidelijk aan tot op het bot wordt verdeeld. Bijna elke spreker betoogt weliswaar dat Nederland gastvrij moet zijn voor politieke vluchtelingen, maar wanneer het gaat om economische vluchtelingen wordt het een stuk ingewikkelder.
Overigens, mensen die haat en tweedracht zaaien kunnen het best worden genegeerd, beter dan hen te bestrijden; de media-aandacht die bij bestrijding aan hen wordt besteed speelt hen alleen maar in de kaart, waardoor de verdeeldheid nog groter wordt.
Scenario’s
Er zijn drie mogelijke scenario’s:
- Open grenzen. Iedere immigrant wordt behandeld als gewone burger: iedereen is welkom. Dit open toelatingsbeleid is als ideaal een belangrijke uitdaging. In de praktijk blijkt het toch bezwaarlijk.
- Gesloten grenzen. Streng toelatingsbeleid. Dit beleid heeft veel voorstanders. Zij betogen dat het land vol is, dat het milieu zwaar wordt belast en dat de criminaliteit hoog oploopt. Maar dit beleid roept op humaan vlak veel leed op, er komt een illegale onderstroom op gang en brengt illegalen in een onmogelijke positie. Berichtgevingen en reacties in de media voeren de tweedracht en de haat op tot hogere proporties.
- Quoteringsgrenzen. Immigranten dienen betaald werk te hebben en zo werkend in ons land bouwen ze rechten op. De voordelen van dit laatste systeem zijn op langere termijn groter dan de nadelen.
Zorg voor integratie
Hoe de verhoudingen met betrekking tot deze scenario’s zich in Nederland (en ook daarbuiten) zich ook zullen ontwikkelen, het blijft in alle gevallen onze plicht te zorgen voor de integratie en het welzijn van de mensen die ons land zijn binnengekomen.. Dat includeert ook de zorg voor een menswaardig bestaan voor hen die in de fout zijn gegaan en met uitzetting of opsluiting worden bedreigd (géén Guantanamo-toestanden).
Behalve voor beroepskrachten is daarbij ook een taak weggelegd voor veel vrijwilligers, hoewel de laatste tijd de tendens bestaat het werk meer en meer te gaan professionaliseren.
Voor vrijwilligers ligt een taak bij:
- parochies: vieringen, ter beschikking stellen van ruimtes, lobbyen bij autoriteiten, beïnvloeding van publieke opinie, educatie en vorming, sport en spel, muziek en beeldende kunst, etc.
- vluchtelingenwerk: hulp bij asielaanvragen, administratieve bijstand, inburgering, taalcursussen, juridische begeleiding, hulp bij verzoek aan instanties, hulp bij winkelen, organisatie van festivals, etc.
- asielzoekerscentra.
Bij al dit werk _ het zij nogmaals vermeld – moet men bedenken dat Jezus zelf heeft gezegd dat het herbergen van vreemdelingen gelijk is aan het herbergen van Hemzelf.
TvE

De zeven Werken van Barmhartigheid (3)
De naakten kleden
Het 75-jarig bestaan van onze parochiekerk wordt onder meer gevierd met een viertal thema-avonden over de Werken van Barmhartigheid. ‘De naakten kleden’ was het thema van de tweede, recente bijeenkomst in Stanislaus. De spreker was Lt. Kolonel mevr. dr. C.A. Voorham, directeur van het Leger des Heils.
Geen thuis meer, niemand zit op hen te wachten!
‘Zwervers’ roepen bij velen weerstand op. Ze worden geïdentificeerd met overlast, drugs, alcohol en criminaliteit.
Dakloosheid en thuisloosheid, een op tien Nederlanders heeft de kans hier mee te maken te krijgen, ook meer en meer vrouwen en kinderen door bijvoorbeeld geweld. En het beeld verslechtert. Vier op de tien gevallen van dak- en thuisloosheid vindt zijn oorzaak in overlast in de buurt, criminaliteit, verslaving en agressie. Andere problemen die een rol spelen kunnen onder andere zijn: relatie- en opvoedingsproblemen, financieel vastlopen, weglopen van huis (kinderen) met de dreiging van prostitutie. Ieder van ons kan er mee te maken krijgen. In deze groep vinden we ook managers, artsen, advocaten en ambtenaren!
Opzoeken en helpen
In een warm betoog schildert Mevr. Voorham de ellende van deze mensen: het ontbreken van elke zingeving in het leven, geen dagbesteding kennen, niemand hebben die je verwacht, die je nodig heeft, een leven moeten leiden zonder enig uitzicht op een oplossing, alleen zijn - dat laatste vooral, alleen en eenzaam zijn.
Zelf spreekt ze vol bewondering over de duizenden mensen van haar organisatie die hulp bieden in een scala van activiteiten, zoals verblijfsmogelijkheden en maaltijden bieden, opvanghuizen creëren. Een indrukwekkende opsomming van hulpvormen geeft een indruk van het werk van de vele helpers: ontwenningskuren, eerste medische hulp, bezoek arts, schuldsanering, politiecontact, hulp bij opvoeding in gezinnen, hospice-opname, hulp in aparte verpleeghuisunits enz.
Vele dak- en thuisloze mensen hebben het vermogen om vriendschap te sluiten en te onderhouden verloren. Ze hebben vaak nooit vrienden gehad en geen affectieve gevoelens meegekregen in hun opvoeding. De hulpverleners moeten vaak een lange weg gaan om enig vertrouwen te winnen. Respect voor de ander is de leidraad in hun werk.
Geschiktheid en motivatie
Wat beweegt deze hulpverleners toch? Mevr. Voorham vertelt dat de aannamevoorwaarden van haar mensen tweeledig zijn. Zij moeten vakbekwaam zijn op basis van opleiding, ervaring en geschiktheid, maar daarnaast de christelijke solidariteit als uitgangspunt hebben.
In de loop van haar inleiding wordt meer en meer duidelijk dat de liefde voor de medemens, die geworteld is in een diep geloof in God en zijn schepping, de basis is van hun werk. Is dat ook de boodschap voor de volgende 75 jaar van onze parochie? Vanuit het geloof de medemens meer en meer te hulp te schieten. De thuislozen en naakten komen in andere vormen ook in onze gemeenschap voor. Ligt daar niet onze nieuwe taak?
Nagesprek en afsluiting
In een ontspannen sfeer, waarin diverse vragen werden gesteld, werd de avond afgerond. Dagvoorzitter Will Pellis sloot tenslotte deze redelijk goed bezochte en boeiende bijeenkomst.
AW

De zeven Werken van Barmhartigheid (2)
Op 28 februari jl vond in Huize Stanislaus de eerste lezing plaats in het kader van het thema bij het 75-jarig bestaan van het kerkgebouw. Leo Fijen, de bekende TV-redacteur van KRO’s Kruispunt hield daar in het kader van de twee eerste werken van barmhartigheid (hongerigen spijzen en dorstigen laven) een gloedvol betoog om ons aan te sporen naar buiten te treden en meer voor ons geloof op te komen. Meer dan 100 aanwezigen lagen een uur aan zijn lippen.
Op 18 april zal de tweede lezing worden gehouden. Lt-kolonel, mevr. Dr. C.A. Voorham (de opvolgster van majoor Bosshardt van het Leger des Heils) zal dan een inleiding komen houden met als thema “de naakten kleden”.
De naakten kleden
Kleding is belangrijk:
- Ze beschermt je tegen de kou. Anders dan in tropische landen heeft de mens kleding nodig om op temperatuur te blijven.
- Ze beschermt je voor schaamte. Naakt voor een ander mens te moeten staan wordt ervaren als een vernedering: onbedekt voel je je kwetsbaar.
- Ze geeft status. Met kleding die bij je past kun je jezelf zijn. Dat begint al op jonge leeftijd. Brugklassers vinden het heel belangrijk de juiste kleren aan te hebben; zij beoordelen elkaar vaak op hun uiterlijk. Stoer en “cool” willen en moeten ze eruit zien, anders tellen ze niet mee. Maar ook al op veel jongere leeftijd heeft het kind tegenwoordig zijn eigen keuzes.
Dat kleding de volwassene status geeft is voor iedereen duidelijk. De vele modehuizen en modeshows, de telkens weer wijzigende modetrends, alles duidt niet alleen op status, maar wordt ook nog eens onderhouden vanuit economische motieven. - Ze geeft onderscheid. Denk maar eens aan de kleding van sportteams, muziekkorpsen, verenigingen. Denk aan de beroepskleding van rechters, advocaten, professoren; aan soldaten, medisch personeel, brandweer en politie; aan bankpersoneel in krijtstreeppakken. Denk ook aan de kerk met zijn liturgische kleding.
Het bovenstaande is vooral van belang voor het rijke deel van de wereld. Maar toch kun je in zuidelijke landen niet vaak aan de kleding zien of iemand arm is. Men doet zijn best om armoede te verbergen door er zo goed mogelijk uit te zien. Alleen: de kleding die men draagt is vaak de enige kleding die men heeft. Schoolkinderen in minder ontwikkelde landen dragen bijna altijd uniformen. Ten eerste om ze er netjes te laten uitzien, ten tweede om voor gelijkheid onder hen te zorgen en geldopdrijvende competitie uit te sluiten. Hoe arm de ouders ook zijn, de kinderen lopen altijd in piekfijne en schone bloesjes, broeken en rokjes.
Inzamelingen.
De meeste mensen gaan zuinig om met de kleding die zij hebben, maar ook met de kleding die zij niet meer nodig hebben. Weggooien is zonde, de kleding kan nog op een of andere manier van nut zijn. Zo ontstonden in het midden van de vorige eeuw de inzamelingsacties voor kleding. Zakken werden huis aan huis bezorgd, via kerken en overheidsorganisaties werd overtollige kleding ingezameld. Tegenwoordig gebeurt het voornamelijk door middel van de bekende containers en depots bij particulieren, waarin behalve goede en schone gebruikte kleding, ook schoenen, dekens, lakens en dekbedden, gordijnen en zelfs stoffen beesten welkom zijn.
Inzameling voor het goede doel sluit aan bij de beleving en motivatie van mensen, omdat tweedehands kleding een emotionele waarde heeft en mensen verwachten dat de kleding ten goede komt aan wie geen nieuwe kleren kan kopen.
De algemene gedachte is, dat inzamelaars de tweedehands kleding direct ter beschikking stellen aan kansarmen in binnen- en buitenland. De meeste kleding wordt echter verkocht in Nederland.
Een van de organisaties die kleding inzamelt, “Mensen in nood”, besteedt de opbrengst van de kledingverkoop vooral aan noodhulp en kinderprojecten, zoals bv de opvang van straatkinderen in Latijns Amerika. De verkochte kleding zelf gaat naar arme landen buiten de Europese Unie. De inzameling dient dus een dubbel doel: kleding verschaffen aan mensen in Oost Europa en de Derde Wereld, én financiën verwerven voor projecten in het kader van de inzet voor een menswaardiger en rechtvaardiger bestaan wereldwijd..
Behalve “Mensen in Nood” (deel van de katholieke organisatie “Cordaid”) is ook KICI (Kleding Inzameling Charitatieve Instellingen) actief op dezelfde wijze. De opbrengst gaat naar Amnesty International, Hivos, Gered Gereedschap en nog andere projecten voor kansarmen. Ook het Leger des Heils is op dit terrein actief.
Winkels
Ook winkels zijn actief op kledinggebied. Denk bijvoorbeeld aan de kringloopbedrijven. Deze hebben een dubbel doel: stimuleren van hergebruik van goederen én sociale werkvoorziening.
Denk ook aan de kledingwinkels van kerk- of buurtwerk, die zich richten op hergebruik van kleding. Behalve de verkoop van schone, gebruikte kleding, bieden ze ook ontmoetingsmoge-lijkheden en werkgelegenheid voor vrijwilligers.
Denk tenslotte aan de Wereldwinkels, waar het idee van “de naakten kleden” op een andere manier gestalte krijgt. Niet door de mensen in de Derde Wereld kleding te zenden, maar door ze een goede en eerlijke prijs te betalen voor producten uit deze niet-Westerse culturen, waardoor de mensen daar zelf in hun naakte bestaan kunnen voorzien.
In deze wereldwinkels wordt ook “eerlijke kleding” verkocht, waardoor deze winkels ook wel “Fair Trade-winkels” worden genoemd. De textiel- en kledingindustrie is vergaand geglobaliseerd: kleding wordt dáár gemaakt waar dat het goedkoopste kan. Naar de rechten en de arbeidsomstandigheden van de naaisters wordt nauwelijks gekeken. Fair Trade-winkels dringen daarom aan op opheffing van handelsbelemmeringen die producenten in ontwikke-lingslanden ondervinden, werken aan de bevordering van een duurzaam ontwikkelingsproces en bieden de producenten een eerlijke prijs en bevorderen met dit alles de levensstandaard in de Derde Wereld.
Solidariteit
Wanneer we, denkend aan de mogelijkheden die gebruikte kleding kan opleveren, onze kledingkasten regelmatig inspecteren en opruimen, en de kleding die we niet meer nodig hebben ter beschikking stellen van charitatieve kledinginzamelaars en ook wanneer we in wereldwinkels een eerlijke prijs betalen voor producten uit de Derde Wereld, zijn we solidair bezig en verrichten belangrijk werk in een rechtvaardiger verdeling van mondiale welvaart.
Zwervers, bedelaars, daklozen
Een bekend verschijnsel in de grote steden overal ter wereld zijn de zwervers, bedelaars en daklozen. Zij zijn eigenlijk de nieuwe “naakten”. Zij beschikken meestal niet over een eigen woongelegenheid en hebben ook niet de middelen om daar uit eigen kracht voor te zorgen. Een dakloze heeft vaak zijn sociale netwerken verloren, heeft geen band (meer) met zijn eventuele familie, bekenden of andere mensen die hem of haar tot steun zouden kunnen zijn. Een minderheid van de daklozen lijdt aan alcoholisme, aan drugsverslaving of aan een mentale ziekte. Soms trachten zij aan geld te geraken door te bedelen of te stelen, of - wat lucratiever is – door op straat muziek te maken of voorstellingen te geven.
Het is dus niet zo vreemd dat, wanneer je aan stadsbewoners vraagt wat hun grootste bron van ergernis is, je ten antwoord krijgt: “junks en daklozen die om geld vragen”.
De overheid springt hier dan ook op verschillende wijzen op in:
- Over het algemeen wordt bedelen streng aangepakt. De gemeente Rotterdam bijvoorbeeld wil alle bedelaars weren uit het centrum: er geldt een bedelverbod. In één jaar werden er ongeveer 400 boetes uitgedeeld aan bedelaars.
- Er worden anti-bedelcampagnes uitgevoerd, waarin burgers worden aangemoedigd niet aan bedelaars te geven, maar aan organisaties, onder het motto: “Geef om hem, niet aan hem!”
De overheid is nl van mening, dat het geven van geld en het uitdelen van voedsel, drank en kleding door particulieren, maar ook door kerkelijke instanties de dakloze teveel bevestigt in hun daklozenbestaan en deze mensen te weinig stimuleert om een ander leven te gaan leiden. De gemeente Rotterdam bijvoorbeeld ligt voortdurend overhoop met de Pauluskerk aldaar. Die verhindert met haar acties de pogingen van de gemeente de daklozen uit het centrum te weren. - Hulpverleners proberen de dakloze eigen verantwoordelijkheid te leren. De bedoeling is dat hij het uiteindelijk zelf doet. De hulpverleners helpen hem zichzelf te helpen.
- Daklozen hebben recht op zak- en kleedgeld van enkele honderden euro per maand. Wanneer ze aankloppen bij een opvanginstelling om onderdak, moeten ze echter hun inkomen afstaan als eigen bijdrage voor de woonlasten. Dat heeft gezorgd voor veel onvrede. In de W.M.O., de Wet Maatschappelijke Ondersteuning, is de hoogte van de eigen bijdrage niet geregeld. Het gevolg is dat daklozen gaan zwerven van de ene naar de andere van de ongeveer negentig opvanginstellingen.
- Het rijk heeft in 2006 een plan van aanpak gemaakt met de bedoeling om in 2010 alle 10.000 daklozen voorzien te hebben van inkomen, zorg en werk, waarbij tenminste 60 % van hen dan een passende huisvesting zou moeten hebben. Daartoe zullen dan niet-vrijblijvende afspraken met de daklozen worden gemaakt. Ieder dakloze krijgt daarbij een eigen behandelplan en een begeleider. Ze krijgen alleen therapie als er een kans is dat die helpt.
Ondanks deze maatregelen en veel goede wil neemt het aantal daklozen echter nog steeds toe. Afspraken tussen rijk en grote steden ten spijt willen enkele gemeenten enkel nog maar hun “eigen” daklozen helpen. Het aantal op straat levende daklozen blijft daardoor groot, temeer daar nu ook steeds meer daklozen uit Oost-Europa ons land binnenkomen. Dezen zorgen voor nogal veel overlast en worden dan niet door de opvang geaccepteerd.
Al met al is duidelijk dat opvanginstanties, waaronder ook het Leger des Heils, een belangrijke taak hebben in de opvang van deze mensen, die door welke oorzaak dan ook zijn beland in een vicieuze cirkel.
TvE

De zeven Werken van Barmhartigheid (1)
Barmhartig: eigenlijk een heel ouderwets woord, net zoals bv het woord “deernis”. Niet veel mensen gebruiken nog dit woord, in tegenstelling tot de tegenpool hiervan “onbarmhartig”. Maar barmhartigheid is van alle tijden en wordt nog steeds in praktijk gebracht. In de diaconie – al wat mensen doen, individueel of in groepsverband, ten behoeve van de medemens in nood - wordt barmhartigheid ook altijd in verband gebracht met rechtvaardigheid, omdat barmhartigheid nodig is in een onrechtvaardige situatie, nl het verschil tussen mensen die leven in overvloed en mensen die leven in armoede. Barmhartigheid is de grondhouding van de mens met een “warm hart” voor hen die in ellende zitten. Als uiting van diepe menselijk-heid wordt barmhartigheid natuurlijk niet alleen beoefend door christenen, maar ook in het Jodendom, in het Boeddhisme, het Hindoeïsme, in de Islam en eveneens in humanistische verbanden. Het ontstaat uit een ervaring van verbondenheid met mensen en met God, die uit het diepste van de mens voortkomt.
1. De hongerigen spijzen
Honger heeft een directe link met armoede. Op ons netvlies staan beelden geprint van vooral hongerende en uitgemergelde kinderen diep in de Afrikaanse binnenlanden. Die beelden worden getoond op TV wanneer weer eens oogsten door extreme droogte zijn mislukt en hele bevolkingsgroepen dreigen om te komen door gebrek aan voedsel. Het blijft een hardnekkig fenomeen en de acties die telkens opnieuw worden gestart helpen maar voor eventjes. Dat komt omdat zulke situaties eigenlijk een gevolg zijn van een verdelingsvraagstuk: er is voedsel in de wereld genoeg, maar het is moeilijk om het op de juiste plaats te krijgen. Vaak is het ook zo, dat volken niet de vereiste middelen of de juiste kennis hebben om voldoende voedsel te produceren (geld, grond, zaden, werktuigen, dieren, know-how). Investeren in deze zaken is op de lange termijn dan ook beter dan telkens maar weer voor tonnen aan voedsel te verschepen of over te vliegen. Natuurlijk speelt het klimaat ook een woordje mee en heel dikwijls ook heersende ziekten (bv aids). Dit investeren is hard nodig, want elke dag sterven er 24.000 mensen van honger of aan de gevolgen daarvan. In ontwikkelingslanden sterft 10 % van de kinderen vóór ze vijf jaar oud zijn. Chronische ondervoeding is de grootste schuldige, want door acute hongersnoden en oorlogen overlijdt maar 10 % van het aantal hongerenden;
Maar dat laatste komt telkens in de krant. 800 miljoen mensen op de wereld lijdt honger, hetgeen 100 x meer is dan het aantal dat er werkelijk aan overlijdt. Chronische ondervoeding kan ook leiden tot lusteloosheid en ziektes.
Hongerexperts van nu denken, dat naast het verschaffen van de juiste middelen, ook onderwijs uiteindelijk de beste manier is om honger te bestrijden.
West-Europa
In het licht van bovenstaande bezien, zouden we ons moeten schamen om soms te zeggen “ik heb honger”. We zouden moeten zeggen “ik heb trek”, want honger kennen we eigenlijk niet zo in ons land. Is er dan helemaal geen honger meer in Nederland? We zagen dat honger een link heeft met armoede. En armoede is er wel degelijk in Nederland. Er zijn flink wat gezinnen met een zodanig minimuminkomen, dat ze zich het basispakket aan dagelijks voedsel niet kunnen permitteren, nl. twee broodmaaltijden en een warme maaltijd met aardappelen, groente en vlees. Voedselbanken springen in dit gat, maar eigenlijk is het in dit welvarende land een schande dat dit nodig is. We kennen ook het werk van Pater Poels, die elke dag op de fiets in weer en wind en voor dag en dauw broden bezorgt bij mensen die zelfs deze basisbehoefte nauwelijks kunnen betalen. In ons geheugen gegrift is ook de uitspraak van Mgr. Muskens, die stelde dat het stelen van een brood gerechtvaardigd zou zijn, wanneer men honger heeft en geen geld om brood te kopen.
Acties
Alles wat in dit opzicht gedaan wordt om elders, maar ook hier noden te verlichten, valt onder dit eerste werk van barmhartigheid: de hongerigen spijzen. Ook in Moergestel zijn er regelmatig acties, gericht op het lenigen van honger. U herinnert zich vast nog wel de actie van de jongeren voor het verzamelen van voedselpakketten, de Sinterklaasinzameling, en de actie voor de verkoop van producten van de Wereldwinkel. Ook de regelmatig terugkerende actie van het Ziekenpastoraat voor het kerstpakket. Verder moet u denken aan het werk van Leen van Herck, aan de Stichting Caritas (het vroegere Armenbestuur) dat samenwerkt met de gemeente in het lenigen van noden. Ook het werk van de werkgroep Diaconie van de parochie en tenslotte de MOV-groep, die zich o.a. inspant om het leven van de aan Theo Raaymakers toevertrouwde kinderen, jongeren en volwassenen in Columbia draaglijker te maken.
2. De dorstigen laven
Ons lichaam bestaat voor gemiddeld 70 % uit water. Water is een onmisbare stof voor ons lichaam, noodzakelijk om te kunnen blijven leven. Een volwassen mens moet dagelijks drie liter water in voedsel en drank tot zich nemen. Zonder water kunnen we hoogstens vier dagen overleven, terwijl we het zonder voedsel langer zouden uithouden. Water is een van de eerste levensbehoeften. Dat water heeft daarom altijd een hoofdrol gespeeld in de geschiedenis van de mensheid: vele oorlogen zijn er om uitgevochten.
Water zorgt voor rijke oogst. Waar geen water is kunnen geen gewassen groeien en dat zorgt weer voor gebrek aan voedsel. Ongeveer 1 op de 6 mensen in de wereld heeft geen toegang tot schoon water. Dat veroorzaakt armoede en dus groeiende ongelijkheid in de wereld. Jaarlijks sterven er 3,5 miljoen mensen vanwege gebrek aan schoon water, door droogte, of door ziektes, ontstaan door verontreinigd water.
Een teveel aan water is ook weer niet goed. Overstromingen treffen sommige landen of gebieden vaker dan andere. Welvarende landen zijn beter in staat wateroverlast te voorkomen. Ook hierdoor worden de verschillen in de wereld groter: de rijken worden rijker en de armen armer. Op deze wijze ontstaat er geen eerlijke verdeling van water m.b.t. gebrek en m.b.t. overvloed. Schoon water zal mettertijd uitgroeien tot het kostbaarste bezit op aarde. Wanneer we willen dat onze kinderen en kleinkinderen overal op aarde in de toekomst geen gebrek aan (schoon) water krijgen, dan moeten we nu al streven naar een verantwoorde consumptie. We gebruiken tegenwoordig in Nederland voor huishoudelijk gebruik 100 – 200 liter water per persoon per dag. Hiervan is slechts 2 % in gebruik als drinkwater. Het bad, de douche, het toilet, de tuin, de auto, etc. slurpt de rest. Waterbesparende maatregelen zijn nodig. Ook in het groot: in Nederland heeft men ingezien dat het een verspilling is om het water dat via rivieren of door neerslag binnenkomt, zomaar en zo vlug mogelijk af te voeren naar zee. Dit alles moet ons bewust maken van de kostbaarheid van (schoon) water.
Derde wereld
Maar hoe helpen we nu onze medemensen in landen waar geen of weinig water is, of daar waar er juist een teveel aan water is? Ook hier is het belangrijkste weer: helpen door onderricht. Niet zozeer het zomaar verschaffen van geld is het belangrijkst, maar meer het helpen van de mensen daar om zelf zodanige systemen op te zetten dat ze selfsupporting worden. Simpel in een droog land een waterput slaan is onvoldoende: door slecht beheer is zo’n put in een paar jaar alweer onbruikbaar. Wij moeten hen leren hun verantwoordelijkheid te dragen en de technische kennis bijbrengen voor de uitvoering van systemen van water-winning en waterbeheersing. Ontwikkelingshulp (de term zegt het al) is vooral hulp om mensen te leren zichzelf te helpen ontwikkelen.
Tenslotte
Bij het nemen van maatregelen tot het lenigen van noden van mensen: het spijzen van hongerigen en het laven van dorstigen, moet ons voor ogen staan het woord van Jezus (in Matteüs 25): “Wat gij aan de minsten der mijnen hebt gedaan, hebt gij aan Mij gedaan”.
TvE
![]() |
Het vervoer van drinkwater op het platteland van Brazilië (foto van Sebastião Salgado uit zijn boek “Terra”)
|

Een artikel 'vooraf' in de reeks publicaties over de Werken van Barmhartigheid
Sebastião Salgado en de Werken van Barmhartigheid
Het jaarthema bij gelegenheid van het 75-jarig bestaan van ons kerkgebouw is: “De zeven Werken van Barmhartigheid”. Zoals u reeds in aankondigingen hebt kunnen lezen, zal de openingsviering plaatsvinden op zondag 14 januari. Op vier data in het jaar (28 februari, 18 april, 12 september en 7 november) zullen sprekers telkens enkele van de zeven werken bespreken. Dat zal vooraf in “Rondom de kerk” worden aangekondigd. Voorafgaand zal ook telkens in deze rubriek een artikel geplaatst worden met betrekking tot de te bespreken werken.
In de vieringen zullen foto’s getoond worden uit het fotoboek “Terra” van de wereldberoemde fotograaf Sebastião Salgado, een gedreven Braziliaanse fotograaf, die op schrijnende wijze in zijn zwart-wit foto’s de keerzijden toont van de globalisering en de problemen waar de Derde Wereld mee kampt. Hij publiceerde veel fotoboeken: “xodus” bv., waaraan hij zeven jaar heeft gewerkt. Hij toont hierin de miserie van miljoenen vluchtelingen aan de grens tussen Mexico en Guatemala, alsook lijken van bootvluchtelingen vanuit Afrika, aangespoeld aan de kust van Gibraltar. Ook publiceerde hij indrukwekkende foto’s van verwoeste steden in Afghanistan, hongerende kinderen in Soedan, Rwandese vluchtelingen aan de grens met Tanzania, vluchtelingen in Goma en Mozambique en Koerden met foto’s van verdwenen familieleden. Uit alles blijkt authentieke betrokkenheid.
In zijn boek “Terra – Struggle of the landless” toont hij driehonderd foto’s van landloze arbeiders in Brazilië, die leven
in provisorische kampementen en uitzien naar een stukje eigen grond en een menswaardig bestaan. De agro-industrie heeft enorme stukken grond met plantages voor sinaasappels en soja. Maar de producten worden allemaal geëxporteerd naar de VS. De werkers zijn allen arme boeren, die werken voor een peulenschil, dikwijls op hun eigen vroegere gronden. De producten die zij kweken, de sinaasappels, kunnen zij zelf niet eens betalen.
De schitterende foto’s in dit boek zijn stuk voor stuk indringende getuigenissen van het zware bestaan van deze mensen zonder land en moeiteloos kun je de foto’s associëren met de Werken van Barmhartigheid, zoals verwoord in Mattheus 25: "Kom en neem deel aan het koninkrijk dat al sinds de grondvesting van de wereld voor jullie bestemd is. Want ik had honger en jullie gaven me te eten; ik had dorst en jullie gaven me te drinken. Ik was een vreemdeling en jullie namen mij op; ik was naakt en jullie kleedden mij. Ik was ziek en jullie bezochten mij; ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij toe”.
De toestanden die wij aantreffen in de Derde Wereld kennen we niet in die vorm in de landen van West Europa: de voorwaarden voor een menswaardig bestaan zijn ook in ons land aanwezig, alhoewel het aspect van “vreemdelingen herbergen” niet echt bevredigt. De problemen in ons land en in de ons omringende landen liggen echter op een wat ander vlak: mensen hier kunnen eenzaam zijn, overspannen, angstig, verward, verbitterd, verdrietig of verwend. Ook deze situaties van onbarmhartigheid verdienen onze aandacht.
TvE






